Conclusie
behoeftevan de vrouw in 2013 € 1.568,40 netto per maand bedroeg (rov. 5.57). Omdat de man ter zitting was uitgegaan van een behoefte van € 1.600,- netto per maand in 2013, heeft het hof de behoefte van de vrouw op dat bedrag vastgesteld. Het hof heeft verder overwogen dat de behoefte geïndexeerd naar 2014 € 1.614,40 netto per maand bedroeg en geïndexeerd naar 2015 € 1.627,32 netto per maand. Het hof heeft vervolgens de
behoeftigheidvan de vrouw vastgesteld (rov. 5.58 e.v.) en vervolgens heeft het de draagkracht van de man berekend (rov. 5.63 e.v.).
2. Bespreking van het cassatiemiddel
voor de eerste keerwerd vastgesteld. [14]
nietvereist leek als de
behoefteover een periode in het verleden verminderd was dan wel ontbrak (bij gelijkblijvende of vermeerderde draagkracht). Dan is immers meer ontvangen dan er behoefte was. [17] Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132 volgt echter, zo vervolgt Wortmann, dat ook in deze gevallen een afweging plaatsvindt teneinde vast te stellen in hoeverre het redelijk is dat van de alimentatiegerechtigde wordt gevergd dat deze het teveel ontvangene terugbetaalt. Daarbij is van belang in hoeverre de alimentatie is verbruikt, dat er geen (dan wel minder) behoefte was en voorts het belang van de alimentatieplichtige bij terugbetaling. Deze benadering lijkt mij de juiste. Ook wanneer een andere rechter (doorgaans de appelrechter) in een later stadium de behoefte van de alimentatiegerechtigde op een lager bedrag vaststelt dan eerder het geval was, neemt dat niet weg dat de eerder toegewezen gelden veelal zullen zijn uitgegeven.
Wortmann wijst er tot slot op dat een behoedzame bepaling van een ingangsdatum op een tijdstip in het verleden bij gelijke of toegenomen behoefte, maar verminderde draagkracht, geen automatisme is. Steeds zal nagegaan moeten worden of een terugbetalingsverplichting over een periode in het verleden werkelijk ingrijpende gevolgen heeft voor de alimentatiegerechtigde.
onderdeel IIbzonder nadere motivering, die ontbreekt, niet genoegzaam gemotiveerd waarom met de uitbetaling van een onbelaste onkostenvergoeding, ofschoon partijen hierover twisten, reeds is gegeven dat hiertegenover (relevante) reële uitgaven staan van de werknemer (de man). Volgens de klacht behoefde dit nadere motivering, mede nu het een aanzienlijk bedrag betreft.
Voor wat betreft de rechtsklacht die is aangevoerd bij IIa geldt dat deze uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof is er niet vanuit gegaan dat met de enkele verschaffing van een onbelaste onkostenvergoeding door de werkgever de werknemer tot dat bedrag reële kosten heeft gemaakt. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat nu gesteld noch gebleken is dat de fiscus de destijds betaalde onkostenvergoeding niet heeft geaccepteerd en in het licht van het door de man als bijlage 38 bij de akte van uitlatingen van 13 mei 2014 verstrekte kostenoverzicht, er in het onderhavige geval vanuit kan worden gegaan dat tegenover de verstrekte onkostenvergoeding reële kosten van de man stonden.In dit verband is tevens nog te wijzen op de opmerking van [betrokkene 1] (de cost manager van de werkgever van de man) in zijn e-mail van 22 april 2014 (overgelegd als bijlage 37 bij de akte van uitlatingen van 13 mei 2014), dat de onkostenvergoeding op basis van een vast bedrag per overnachting € 75,- is, waarbij de werknemer “zelf moet instaan voor het organiseren van overnachting en eten.”
Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Indien de in genoemde bijlage 38 vermelde bedragen worden omgerekend naar de maanden waarin de man in Frankrijk heeft gewerkt, dan komt men bij benadering aan de door de werkgever van de man aan hem betaalde bedragen. Er is geen aanleiding om het door de man in het overzicht genoemde bedrag aan kosten voor eten en drinken (€ 110,- per week), zeker in geval van een verblijf in het buitenland, bovenmatig te achten. De vrouw heeft dit in feitelijke instanties ook niet aangevoerd. Dat het hof geen aanleiding heeft gezien om de door de werkgever aan de man in totaal betaalde bijdragen te verminderen met een bepaald bedrag aan in de bijstandsnorm begrepen kosten voor eten en drinken is dan ook niet onbegrijpelijk.
onderdeel IIIawordt voorop gesteld dat in de feitelijke instanties is gebleken dat de man een netto reiskostenvergoeding ontvangt van EUR 190,- per week [26] en dat de vrouw heeft aangevoerd dat zulks blijkt uit een e-mailwisseling met de werkgever van de man. [27] Voorts vermeldt het onderdeel dat de vrouw onder verwijzing naar het arbeidscontract van de man heeft aangevoerd dat de reiskosten onder het ‘inkomensbegrip’ vallen en dat het salaris van de man derhalve geacht wordt hiervoor een vergoeding in te houden. [28] Geklaagd wordt dat het bestreden oordeel in het licht van deze stellingen onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd. Het onderdeel stelt dat met de stelling van de vrouw dat de man met zijn loon een vergoeding geniet voor zijn reiskosten niet onverenigbaar is de afwezigheid in de jaaropgave van een vergoeding voor gemaakte reiskosten woon-werkverkeer. Het onderdeel voert in dat verband aan dat het salaris wordt geacht die kosten te compenseren en dat het salaris reeds de reiskosten omvat.
in minderingzou worden gebracht, omdat de vergoeding
niettot het salaris moet worden gerekend en derhalve niet bij de bepaling van zijn draagkracht moet worden meegenomen.
onkostenvergoeding die op het vaststellen van het NBI als zodanig geen invloed behoort te hebben. De door het hof in rov. 5.22 gemaakte berekening is dan ook niet juist. Het hof had het NBI van de man naar beneden moeten bijstellen en het had niet het draagkrachtloos inkomen van de man moeten verhogen met een netto bedrag van € 602,- per maand.
Het hof heeft aan de stelling van partijen, in het bijzonder die van de man zelf, derhalve een onjuiste, althans onbegrijpelijke uitleg gegeven, zodat het onderdeel slaagt.