Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
€ 67.440,07). Daarnaast heeft het hof, opnieuw recht doende, AG onder meer veroordeeld om aan AP te betalen een bedrag van € 10.953, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2011 tot aan de dag van algehele voldoening. Dit bedrag ziet zoals hiervoor (onder 2.9) toegelicht op de aan AP toekomende belastingteruggaaf die AG ten onrechte heeft ontvangen en behouden.
3.Het cassatiemiddel
hindsightgebleken feit in de beoordeling heeft betrokken.
4.Uitgangspunten bij de toepassing van art. 2:9 en Pro art. 6:162 BW Pro
Staleman/Van de Ven [10] in rov. 3.3.1 de volgende omstandigheden:
Schwandt/Berghuizer Papierfabriek [14] oordeelde Uw Raad als volgt:
Schwandt/Berghuizer Papierfabriekging het om een statutair vereiste van goedkeuring door de raad van commissarissen. Uw Raad liet in het arrest in het midden of dit vereiste tot bescherming van de rechtspersoon strekte; het hof kwam na verwijzing tot de conclusie dat dat inderdaad zo was en nam om deze reden aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW Pro aan. [16] Dit roept, gelet op de problematiek die in de onderhavige zaak centraal staat, de vraag op of ook een statutaire bepaling die goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) verlangt, geacht kan worden het belang van de rechtspersoon te beschermen. Uw Raad heeft zich hierover nog niet uitgesproken. [17]
JOR-annotatie bij het arrest heeft Leijten dit oordeel bestreden: een bestuurder kan een tegenstrijdig belang hebben bij het uitbrengen van een stem in de algemene vergadering van een dochter, zodat een bepaling die goedkeuring van de algemene vergadering in zo’n geval verlangt, strekt tot bescherming van de vennootschap. [22] Ook Huizink betoogt dat men over het oordeel in deze zaak anders kan denken. [23] Anderzijds heeft Van Thiel er in zijn
JOR-annotatie bij een arrest van het hof Arnhem in een andere zaak op gewezen dat bepalingen die goedkeuring van de AVA verlangen voor bepaalde (rechts)handelingen zoals het aangaan van een kredietovereenkomst er juist toe strekken de investeringen van de individuele aandeelhouders te beschermen en daarmee dus primair aansprakelijkheid jegens de aandeelhouders mogelijk maken. [24] Ook hij lijkt echter ruimte te laten voor gevallen waarin niet alleen de aandeelhouders, maar eventueel ook de vennootschap als zodanig door de betrokken statutaire goedkeuringsbepaling wordt beschermd. Het lijkt er dus op dat de doctrine, die zich nog niet uitbundig met deze vraag lijkt te hebben beziggehouden, verdeeld is. Tegelijkertijd ligt het niet voor de hand om op deze beperkte literatuur een regel of uitgangspunt te baseren dat erop neerkomt dat een statutaire bepaling die goedkeuring van de AVA voor bepaalde bestuursbesluiten verlangt nimmer de rechtspersoon beschermt. En om kleur te bekennen: ik herken mij eerder in het standpunt van diegenen die betogen dat een dergelijke bepaling in de regel niet enkel en alleen het aandeelhoudersbelang dient en beoogt te beschermen, maar in bepaalde gevallen ook dat van de rechtspersoon.
Schwandt/Berghuizer Papierfabriekworden afgeleid dat schending van een bepaling in de statuten die de vennootschap beschermt, in beginsel een ernstig verwijt aan het adres van de bestuurder oplevert en daarmee diens aansprakelijkheid vestigt. De bestuurder kan echter feiten en omstandigheden aanvoeren ten betoge dat de statutenschending geen ernstig verwijt oplevert. In
Schwandt/Berghuizer Papierfabriekkon de betrokken bestuurder aantonen dat er bij de vennootschap een patroon bestond dat niet-bestuurders vergelijkbare (des)investeringen deden zonder de raad van commissarissen toestemming te vragen en dat de raad van commissarissen in het verleden geen belangstelling had getoond voor dergelijke kwesties en dat ook nu niet had gedaan. Uw Raad oordeelde daarom dat het oordeel van het hof dat Schwandt een ernstig verwijt trof geen stand kon houden nu daarin deze omstandigheden niet waren betrokken:
persoonlijkeen ernstig verwijt treft. Hierbij dient te worden benadrukt dat de bestuurder
naastde vennootschap aansprakelijk kan worden gehouden. Het bijzondere karakter van deze extra verhaalsmogelijkheid verklaart dat aan persoonlijke aansprakelijkheid strenge eisen worden gesteld.
Ontvanger/ [...] .In die zaak stelde de Ontvanger van de Belastingdienst de bestuurder van twee vennootschappen persoonlijk aansprakelijk voor schade als gevolg van het niet voldoen van een belastingschuld door deze vennootschappen. Uw Raad stelde bij de beoordeling het volgende voorop:
naastde vennootschap aansprakelijk kan worden gesteld: gevallen waarin hij namens de vennootschap heeft gehandeld en gevallen waarin hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Uw Raad heeft in
Ontvanger/ [...]verduidelijkt welke rol het ernstig verwijt-criterium in beide typen gevallen speelt, met dien verstande dat het dan gaat om een
persoonlijkernstig verwijt.
Beklamel-arrest [28] ontwikkelde maatstaf:
Ontvanger/ [...]blijkt dat de maatstaf van art. 6:162 BW Pro wordt ‘ingekleurd’ door het ernstig verwijt-vereiste van art. 2:9 BW Pro, maar alleen wanneer de bestuurder ofwel namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel wanneer zijn handelen of nalaten ertoe heeft geleid dat de vennootschap haar verplichtingen niet is nagekomen. Een bestuurder kan echter ook aansprakelijk worden gesteld op de grond dat hij in strijd heeft gehandeld met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting. In het arrest
Spaanse Villaoordeelde Uw Raad in rov. 3.4.2 dat in een dergelijk geval de gewone regels van onrechtmatige daad gelden:
naastde vennootschap aangesproken dan geldt voor zijn bestuurdersaansprakelijkheid de strengere eis van het persoonlijk ernstig verwijt. Als de bestuurder niet in zijn hoedanigheid als bestuurder handelde, kan hij langs de gewone weg van art. 6:162 BW Pro worden aangesproken en geldt deze verhoogde drempel voor aansprakelijkheid niet.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.27 dat AG haar taak als bestuurder van AP onbehoorlijk heeft vervuld en dat haar hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen.
Schwandt/
Berghuizer Papierfabriekgeoordeeld dat een handeling in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen als een zwaarwegende omstandigheid moet worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Bij Uw Raad heeft nog niet ter beoordeling voorgelegen of een statutaire bepaling die goedkeuring van de AVA voorschrijft (al dan niet) (mede) strekt ter bescherming van de vennootschap. In het licht van de feitenrechtspraak en literatuur op dit punt lijkt geen algemene (rechts)regel te bestaan die inhoudt dat een statutaire bepaling, die goedkeuring van bepaalde besluiten door de aandeelhoudersvergadering voorschrijft, nimmer (mede) ter bescherming van de vennootschap zou strekken (hiervoor 4.9).
hindsightgebleken feit in de beoordeling heeft betrokken.
Schwandt/Berghuizer Papierfabriekstaat naar mijn mening ook in deze sleutel. Dit arrest ziet immers op ‘handelingen in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen.’ Het arrest is niet beperkt tot handelingen die de rechter reeds (eerder) in strijd met de statuten heeft geacht.
Spaanse villageoordeeld dat voor aansprakelijkheid die niet berust op een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitvoering in de hoedanigheid van bestuurder, de gewone regels van onrechtmatige daad gelden. In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel niet gegrond op een onbehoorlijke taakuitvoering. Dit strookt overigens met de feiten: AG heeft zich op 8 januari 2011 laten uitschrijven als bestuurder van AP en de overgelegde brieven van de belastingdienst met betrekking tot de aanschrijving tot terugbetaling dateren pas van 1 november 2011 en 1 december 2011. Het hof is van oordeel dat sprake is van een separate onrechtmatige daad. Daarvoor geldt dus niet het criterium dat sprake moet zijn van een persoonlijk ernstig verwijt. De klacht verdedigt daarom ten onrechte dat het hof had moeten onderzoeken of van een zodanig persoonlijk ernstig verwijt sprake is. De daarop voortbouwende motiveringsklachten slagen evenmin.