Conclusie
11.1 Schaderegeling
4.Bespreking van de grieven II en III
2.Bespreking van het cassatieberoep
subonderdeel I.1).
subonderdeel I.2bij zijn uitleg van dit polisbeding miskend dat [eiser] een particuliere consument is, dat door de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) regels zijn vastgesteld voor verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering van advocaten, waaraan verzekeringsproducten moeten voldoen en dat [eiser] in rechte een beroep heeft gedaan op de
contra-proferentem-regel van art. 6:238 lid 2 BW Pro, zodat bij twijfel over de betekenis van een beding in algemene polisvoorwaarden de voor een consument gunstigste uitleg geldt, waarvoor dit subonderdeel verwijst naar het gestelde bij grieven onder I.10-I.12.
subonderdeel I.3hebben de termen ‘duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld’ en ‘twijfel over de betekenis’ uit art. 6:238 lid 2 BW Pro autonome Unierechtelijke betekenis vanwege de herkomst uit de richtlijn oneerlijke consumentenbedingen en/of mogen deze begrippen niet zodanig uitgelegd worden dat een beroep op de
contra-proferentem-regel niet effectief is door een inperkende interpretatie door de rechter, zoals het hof doet in rov. 3.6 (waarbij het subonderdeel verwijst naar het gestelde bij grieven onder I.1, I.5, I.12, 3 en 4).
subonderdeel I.4is dat voor zover het hof dit niet miskend zou hebben, zijn beslissing onvoldoende is gemotiveerd.
Wessanen/Nutricia).
DSM/Foxover contractsuitleg, omdat die ook in onze zaak een rol speelt, zoals we nog zullen zien. De gemeenschappelijke grondslag bij de Haviltex-norm en de CAO-norm is dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Voor de werkbaarheid in de praktijk en de toetsbaarheid van rechterlijke oordelen in cassatie is deze vage norm uitgewerkt voor maatschappelijk vaak voorkomende gevallen, waarbij de CAO-norm betrekking heeft op geschriften en verhoudingen waarvan de aard meebrengt dat bij die uitleg in beginsel objectieve maatstaven centraal moeten staan. Aan Haviltex èn CAO ligt evenwel de gedachte ten grondslag dat uitleg van een schriftelijk contract niet moet ontaarden in grammaticale uitleg die alleen maar kijkt naar de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift. Maar rov. 4.5 besluit vervolgens wel met het volgende: ‘In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.’
DSM/Fox.
Taxicentrale Middelburg/[...] [13] : voor de vraag of een contractueel beding als een derdenbeding mag worden opgevat, zijn beslissend alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, onder verwijzing naar
DSM/Fox.In dit geval ging het om uitleg van een overnamecontract tussen de curator van een gefailleerd taxibedrijf en het overnemende taxibedrijf waarin stond dat de overnemende partij ook alle werknemers van de failliet zou overnemen, waarin de rechtbank een derdenbeding zag ten behoeve van oud werknemers van de failliet, onder wie [...]. De rechtbank had in die zaak de
DSM/Fox-uitlegmaatstaf niet miskend volgens Uw Raad, ook al was niet expliciet een derdenbeding voor ex-werknemers geformuleerd. Zij kwam tot deze uitleg aan de hand van interpretatie van een faxwisseling tijdens de onderhandelingen. De opvatting dat alleen een derdenbeding kan worden aangenomen als blijkt dat de oorspronkelijke contractspartijen dat hebben beoogd, is als onjuist verworpen in dit arrest (maar kritisch geannoteerd door Du Perron in zijn NJ-noot).
Alheembouw/Verzekeraars [14] , die mogelijk een verfijning heeft gebracht. Een tegenwerping is dat dit arrest ging om iets anders dan aan de orde in onze zaak: niet om de vraag of er in de polisvoorwaarden überhaupt een derdenbeding valt te zien, maar of onder een verzekering ten behoeve van een derde dekking bestaat bij voor een derde niet kenbare afwijkende partij-afspraken tussen stipulator en promittens ten opzichte van voor die derde wel kenbare algemene verzekeringsvoorwaarden. Dat lijkt mij bepaald iets anders dan wat in onze zaak speelt; korter gezegd: niet de vraag naar het bestaan, maar naar de inhoud van een derdenbeding. Het ging in het arrest om een CAR-verzekering waarin dekking wordt verleend aan onderaannemers (onder wie Alheembouw) die door de verzekerde hoofdaannemer worden ingeschakeld. Verzekerd of niet, die onderaannemers, wanneer de verzekerde hoofdaannemer in weerwil van de algemene verzekeringsvoorwaarden was overeengekomen met verzekeraars dat turn key-projecten, zoals het onderhavige, buiten de dekking vielen? Niet volgens rechtbank en hof en de cassatiepoging faalt. Er lijkt in het arrest evenwel de volgende dubbele beschermingsgordel te zijn gelegd op grond van art. 3:35 BW Pro en art. 3:36 BW Pro in respectievelijk rov. 3.5 en 3.7:
medein aanmerking, maar dit kan er niet toe leiden dat een uitleg wordt aanvaard die haaks staat op hetgeen de stipulator en promissor onderling begrepen. Dit laatste kan wel in de tweede fase, waarin art. 3:36 BW Pro wordt toegepast. Wordt inderdaad terecht op art. 3:36 BW Pro een beroep gedaan, dan heeft dit tot gevolg dat in de verhouding tussen de derde en de partij aan wie de derde de door deze gewekte schijn kan tegenwerpen, iets anders geldt dan in verhouding tussen stipulator en promissor.’
Taxicentrale Middelburg/[...]. Bakker leidt uit het arrest af dat de vraag of partijen een derdenbeding van een bepaalde strekking zijn overeengekomen, moet worden bezien vanuit het redelijk perspectief van de derde. Dat wil volgens hem zeggen: in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd krachtens art. 3:35 BW Pro, waar volgens hem in de regel een onderzoeksplicht geldt voor de derde naar de motieven en bedoelingen van de contractspartijen. Hij ziet ook een aanwijzing in het arrest dat voor de vraag of sprake is van een derdenbeding niet alle omstandigheden van het geval beslissend zijn. Volgens Bakker mogen bestaan en inhoud uitsluitend worden afgeleid uit de bewoordingen van de polis, al dan niet gecombineerd met gedragingen en/of verklaringen van de verzekeraar [16] .
Alheembouw/Verzekeraars.
TVM-arrest [18] volgt dat bij de uitleg van polisvoorwaarden van een verzekering ook de maatstaven uit
DSM/Foxgelden.
Valerio/Mrs. Verhagen en v.d. Laan q.q. [19] , nog gewezen onder oud BW, toen het voorrecht van art. 3:287 BW Pro nog niet was ingevoerd (maar wel al als ontwerpartikel 3.10.3.15 NBW bekend was). Een verschil is ook dat hier geen polisbepaling als in onze zaak aan de orde was. Een benadeelde met schade door een beroepsfout van een later gefailleerde notaris claimde in deze zaak tevergeefs een eigen recht op de schadepenningen jegens de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van die (voormalige) notaris, in die zaak gebaseerd op de aard van een beroepsaan-sprakelijkheidsverzekering en de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband daarmee. In het cassatierekest is dat bij onderdeel 3 onder 6 in die zaak aldus toegelicht: de aard van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van een notaris is schadeloosstelling van een gedupeerde van een notariële beroepsfout. Ook als de polis geen verplichting of bevoegdheid tot rechtstreekse uitkering behelst, brengt die aard en de redelijkheid in verband daarmee mee dat bij faillissement van de beroepsbeoefenaar rechtstreeks aan de benadeelde moet worden betaald: dat is een billijk resultaat dat aansluit bij art. 6 WAM Pro en het voorrecht naar (toen nog) komend recht van art. 3.10.3.15 NBW (nu art. 3:287 BW Pro), aldus deze toelichting. Rov. 3.5 van het arrest is daar kort over: dat vindt geen steun in het recht. Ook zo A-G Franx in zijn conclusie voor dit arrest onder 6 met de volgende redengeving: Ook als een verzekeraar rechtstreeks uitkeert aan de benadeelde doet hij dat namens de verzekerde, de benadeelde is geen separatist en (nog) niet bevoorrecht op de uitkering; zo’n ‘action directe’ kent ons recht niet, niettegenstaande de maatschappelijke betekenis van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering; juridisch kan de laedens hier niet worden ‘weggedacht’. NJ-annotator Van der Grinten gaat uitvoerig in op deze kwestie, beginnend met de constatering dat een beslissing in andere zin op dit punt volgens hem ‘moeilijk te verwachten was’. Het toen nog komende art. 3:287 BW Pro-voorrecht stoelt op de billijkheid, maar ook in het stelsel van het NBW zal de vordering op de assuradeur tot de failliete boedel behoren, zodat de algemene faillissementskosten mede door de benadeelde worden gedragen. Van der Grinten ziet de voorgestelde rechtvaardiging uit de aard van de verzekering wel opgaan bij een wettelijk verplichte verzekering zoals de WAM (doel van de verzekering is daar niet primair om de verzekerde, maar om de benadeelde zekerheid te geven dat diens schade wordt vergoed), maar bij een vrijwillige verzekering ligt dat anders. Dan constateert Van der Grinten dat er licht zit tussen de wettelijk verplichte verzekering en een echte vrijwillige verzekering, zoals in geval een beroepsorganisatie een beroepsaansprakelijkheidsverzekering oplegt (net als in onze zaak speelt dus). Hij zegt daarover: ‘Het arrest van de HR moet m.i. aldus worden gelezen, dat ook dan de gelaedeerde niet een vordering tegenover de assuradeur heeft.’ Is dat onbevredigend, want een ongerechtvaardigde bevoordeling van andere schuldeisers in faillissement, vraagt hij zich af? Hij schetst dat vergelijkbare situaties kunnen spelen bij andere dan aansprakelijkheidsverzekeringen: ook een ziektekostenverzekeringsuitkering valt in het faillissement van de patiënt, zodat ziekenhuis en arts niet meer dan een concurrente vordering hebben. Het zijn naar ik meen ruim dertig jaar later nog steeds aansprekende argumenten. Waar ik bij aanteken dat onze zaak anders is opgezet en niet scharniert rond de piketpaaltjes aard en billijkheid.
contra-proferentem-regel in subonderdelen I.2 en I.3 zie ik alleen al niet opgaan vanwege het volgende. Dit beginsel, dat voortvloeit uit de implementatie van de richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [20] , geldt alleen wanneer de
wederpartijvan de gebruiker van algemene voorwaarden een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf [21] . In onze zaak is sprake van een verzekeringsovereenkomst tussen NN en [B], dus [eiser] is niet zo’n consument-wederpartij. Dat zou hij pas na eventuele aanvaarding van een derdenbeding kunnen worden en het hof heeft feitelijk uitgemaakt dat de polis hier geen derdenbeding bevat dat hij kon aanvaarden. Je kunt het vervolgens niet omdraaien en dat oordeel: geen derdenbeding in de polis, bestrijden met de stelling dat deze uitleg in strijd komt met art. 6:238 lid 2 BW Pro, want dan moet er eerst al sprake zijn van een consument-wederpartij.
subonderdeel II.5 ‘verwijst’ naar zijn grieven II en III met toelichting) komt met vier subonderdelen op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.3-4.7 dat geen sprake is van verrijking van NN (hiervoor weergegeven in 1.6).
subonderdeel II.2(s
ubonderdeel II.1 bevat geen uitgewerkte klacht) is dat niet uit (het systeem van) de wet of het ongeschreven recht voortvloeit dat de door [eiser] ingestelde actie uit ongerechtvaardigde verrijking ongeoorloofd is of niet toegewezen kan worden nu [eiser] eerst de weg moet volgen van heropening van de vereffening. Art. 2:23c BW staat niet in de weg aan de toewijsbaarheid van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, tenzij de rechter op verzoek van de meest gerede belanghebbende heeft beslist dat de vereffening van [B] wordt heropend, zo luidt de klacht.
Bouwbedrijf Vianen [25] moet de rechter met terughoudendheid toetsen of voldoende aannemelijk is dat er nog baten zijn. Heropening van de vereffening is ook mogelijk indien de bate ten tijde van de opheffing van het faillissement dan wel eerdere vereffening aan de curator/vereffenaar wel bekend was, maar deze de bate destijds niet als reëel bestaand heeft aangemerkt, omdat de mogelijkheid tot verwezenlijking onvoldoende werd geoordeeld (dat heeft zich mogelijk in onze zaak voorgedaan) [26] . Beslissend voor toewijzing van het verzoek tot heropening is of de gestelde bate op zichzelf genomen voldoende aannemelijk is [27] .
subonderdeel II.2berust op een verkeerde lezing van het arrest, namelijk op de veronderstelling dat het hof zou menen dat niet aan de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking wordt toegekomen, zo lang [eiser] niet eerst de weg volgt van heropening van de vereffening. Dat mist feitelijke grondslag, omdat het hof daar niet van uitgaat, zoals we hebben gezien. Het hof wijst de grondslag ongerechtvaardigde verrijking af, omdat niet aan het vereiste van verrijking van NN is voldaan, maar niet op de grond dat de vereffening (nog) niet is heropend.
subonderdeel II.3dat onjuist is dat een succesvolle actie uit ongerechtvaardigde verrijking juist een verrijking van [eiser] oplevert door het creëren van een extra-wettelijke separatistenpositie, wat in strijd zou zijn met art. 3:287 lid 2 BW Pro, gaat zelf uit van een onjuiste rechtsopvatting; de juiste is hiervoor toegelicht in 2.20-2.22.
subonderdeel II.4dat onjuist zou zijn dat een toegewezen beroepsaansprakelijkheidsclaim nog geldend is te maken jegens de ontbonden entiteit [B], is in het vorenstaande betoog weerlegd. Het hof heeft niet miskend dat heropening van de vereffening noodzakelijk is om de vordering die [eiser] eventueel heeft op [B] af te kunnen dwingen, zo volgt uit rov. 4.5. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van verrijking aan de zijde van NN en daarmee verarming aan de zijde van [eiser] nu een wettelijke erkende procedure openstaat voor [eiser] om de vordering die hij eventueel heeft op [B] te gelde te kunnen maken, is niet rechtens onjuist.
subonderdeel II.5.