Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
Reikwijdte van de 403-verklaring van SNS en de vorderingen van curatoren
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
rolvoeginggenoemd. Rolvoeging houdt in dat administratief wordt aangetekend dat de zaken met elkaar samenhangen, en dus gelijktijdig moeten worden behandeld en beslist. [12]
4.De bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2en
4bevatten rechtsklachten over het door de ondernemingskamer toegepaste toetsingskader voor de beoordeling van het bestaan en van de omvang de door de curatoren en CRI gestelde vorderingen. De
onderdelen 3en
5bevatten motiveringsklachten over de wijze van de ondernemingskamer de beoordelingen heeft uitgevoerd. Ik vat de genoemde onderdelen hieronder eerst samen.
indien het voornemen meebrengt dat hun positie niet alleen formeel, maar ook materieel wordt verzwakt.Wie hun deze waarborg verleent, wordt in het midden gelaten. Niet alleen de mede-aansprakelijke groepsmaatschappij en de hoofdschuldenaar komen in aanmerking, maar ook bij voorbeeld degene of degenen aan wie de aandelen worden verkocht.” (Curs. A‑G)
nietkan worden beschouwd als “schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt.”
welvan een zodanige schuldeiser sprake is. Daarbij is het vooral de vraag: hoe “hard” moet de vordering van de schuldeiser zijn? Ook in de onderhavige zaak is deze vraag belangrijk. De vorderingen van de curatoren en CRI staan niet vast en kunnen in de verzetprocedure ook niet komen vast te staan. Het gaat immers om een spoedprocedure.
Het zou daarom onredelijk zijn de schuldeiser die een betwiste vordering heeft, een aanspraak op zekerheidstelling te onthouden, tenzij de rechter die over het verzet oordeelt de betwiste vordering bij voorbaat niet erkent.Ook het recht van verzet komt naar huidig recht en volgens dit wetsontwerp aan alle schuldeisers toe.” (Curs. A-G)
Naar het oordeel van de rechtbank is noodzakelijk maar ook voldoende dat het bestaan van de vorderingen in voldoende mate aannemelijk is.Een meer inhoudelijke beoordeling van de vordering zou geen recht doen aan de ratio van dit wetsartikel. Deze ratio is dat de aansprakelijkheidstelling kan eindigen maar niet ten nadele van “oude” schuldeisers, die in plaats daarvan dan ook zekerheid mogen verlangen voor verhaal. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11) beoogt dit artikel het evenwicht te bewaren tussen de belangen van de schuldeisers en het belang van de maatschappij die zich aansprakelijk stelde. Indien de enkele betwisting van die vorderingen aan toepasselijkheid van artikel 2:404 BW Pro in weg zou staan, maakt dit de bescherming van “oude” schuldeisers illusoir. Anderzijds dient te worden gewaakt voor een al te lichtvaardig beroep op de hier bedoelde regeling, nu – zoals Hertel Beheer terecht aanvoert – het stellen van zekerheid beslag legt op de financiële slagkracht van een onderneming. Naar analogie van het beslagrecht dient ook terzake van de onderhavige regeling, de vordering in voldoende mate aannemelijk te zijn.”
Dit lijdt uitzondering indien de betwiste vordering aan de rechter die over het verzet oordeelt op voorhand ongegrond voorkomt.”(Curs. A-G)
onderdeel 2naar mijn mening faalt. Het oordeel van de ondernemingskamer komt erop neer dat een lichte toets moet worden gehanteerd, lichter dan de toets dat de vordering aannemelijk moet zijn. Dit lijkt mij juist.
onderdeel 4merk ik het volgende op. De ondernemingskamer heeft voor enerzijds het bestaan en anderzijds de omvang van de vordering verschillende beoordelingsmaatstaven geformuleerd. Voor wat betreft de omvang van de vordering heeft de ondernemingskamer overwogen dat, als eenmaal is vastgesteld dat een niet zeer kleine kans bestaat dat de schuldeiser een vordering heeft die onder het bereik van de 403-verklaring valt, het bedrag waarvoor de waarborg dient te worden gegeven in beginsel moet worden gesteld op het maximaal gevorderde bedrag aan schadevergoeding (rov. 3.11). Naar mijn mening geldt voor het bestaan van de vordering en de omvang ervan dezelfde – lichte – toets. Het door de ondernemingskamer gemaakte onderscheid lijkt mij daarom niet juist. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.11 ook overwogen dat moet worden beoordeeld of de gestelde omvang van de vordering niet “evident onrealistisch hoog” is. Ik meen, al met al, dat de door de ondernemingskamer gehanteerde maatstaf niet wezenlijk verschilt van de maatstaf die naar mijn mening de juiste is. Ook de rechtsklacht van onderdeel 4 faalt daarom.
onderdelen 3en
5bevatten motiveringsklachten tegen de wijze waarop de ondernemingskamer de door haar geformuleerde toetsingsmaatstaven voor wat betreft respectievelijk het bestaan en de omvang van de vordering van de curatoren heeft toegepast. Geklaagd wordt onder meer dat de ondernemingskamer louter is afgegaan op de stellingen van de curatoren en voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van SNS Bank, en aan stellingen van Propertize waarbij SNS Bank zich heeft aangesloten. De onderdelen hangen samen en daarom zal ik deze gezamenlijk bespreken.
onderdeel 8is het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.26 dat bij de berekening van de solvabiliteit van Propertize dient te worden uitgegaan van een norm van 30% aan eigen vermogen, de norm die geldt voor vergelijkbare ondernemingen als Propertize, onjuist. De ondernemingskamer heeft volgens het onderdeel miskend dat op de peildatum en daarna de solvabiliteit van Propertize moest voldoen aan de wettelijke norm van art. 3:57 Wft Pro en niet aan een door de ondernemingskamer zelf geformuleerde norm voor “vergelijkbare ondernemingen”. Het oordeel van de ondernemingskamer dat Propertize in de toekomst 30% aan eigen vermogen zal moeten aanhouden is daarmee onjuist en, waar de ondernemingskamer niet is ingegaan op de stelling van Propertize omtrent de eisen die DNB na intrekking van de bankvergunning van Propertize heeft gesteld, in elk geval onvoldoende gemotiveerd.