Uitspraak
gevestigd te Luxemburg,
wonende te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De belangrijkste werkmaatschappij binnen het concern was [C] C.V. (hierna: [C]).
beschikte over een leverancierskrediet van circa € 6 miljoen, verstrekt door de Japanse financieringsmaatschappij Sumitomo. Daarnaast had het concern een krediet bij Fortis (Bank) Nederland N.V. (hierna: Fortis).
Als statutair bestuurders zijn benoemd enkele aan een Luxemburgs trustkantoor verbonden personen.
De ondernemingskamer heeft [C] op 1 juli 2004 bij wege van voorlopige voorziening verboden om uitvoering te geven aan haar op 29 april 2004 genomen besluit tot reorganisatie. Bij eindbeschikking van 16 juli 2004 heeft de ondernemingskamer [C] geboden om het reorganisatiebesluit in te trekken op de grond, kort gezegd, dat [C] bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid dat besluit had kunnen nemen.
De koopovereenkomst vermeldt dat de koopsom zal worden voldaan door verrekening met de geldlening van € 1 miljoen die Wemaro “with effect of August 1, 2003” aan [A] heeft verstrekt.
De primaire grondslag van deze vordering is dat de geldlening waarmee de koopsom zou zijn verrekend, niet aan [A] maar aan [B] is verstrekt, waardoor er in werkelijkheid geen verrekening heeft plaatsgevonden en de curator van Wemaro nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de koopovereenkomst kan vorderen. Subsidiair stelt de curator zich op het standpunt dat de verrekening van de koopsom met het bedrag van de geldlening in strijd is met art. 54 Fw Pro.
Het gevolg van deze, aan de vooravond van het faillissement uitgevoerde, verrekening was dat het actief van [A] afnam – met de (koopprijs voor de) vorderingen op [betrokkene] c.s. – tegen een verlaging met eenzelfde bedrag van de leenschuld van [A]. Die, niet door zekerheid gedekte schuld werd zodoende voldaan boven die van de andere schuldeisers, voor wie er minder actief overbleef. Dat, ingeval van een faillissement van [A], de achtergestelde leenschuld ook zonder deze verrekening zou worden terugbetaald, althans dat Wemaro daar redelijkerwijs van uit mocht gaan, is gesteld noch gebleken; de curator noemt een boedeldeficit van circa € 10 min.
van een derde(vgl. HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7199, NJ 2014/272). Het onderhavige geval, waarin Wemaro niet de schulden van [betrokkene] c.s. aan [A] heeft overgenomen van [betrokkene] c.s., maar de vorderingen van [A] op [betrokkene] c.s. heeft gekocht van [A], wordt derhalve naar de letter niet door art. 54 lid 1 Fw Pro bestreken.
4.Beslissing
10 juli 2015.