Conclusie
eerste middelwordt geklaagd over het onder 2 bewezenverklaarde aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep en hashish.
Ten aanzien van feit 2.2.13
tweede middelwordt geklaagd dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Volgens vaste rechtspraak heeft de verdachte bij een dergelijk middel onvoldoende belang, als dit het enige middel is of als de andere middelen met toepassing van art. 80a RO kunnen worden afgedaan. [1]
In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven [onderstreping AG], is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”
ofer cassatieklachten zijn. De tijd die intussen verstreken is, kan niet aan de proceshouding van de verdachte worden geweten. Daarom heeft de verdachte, althans zo begrijp ik de klacht, zelfstandig belang bij het middel voor zover de redelijke termijn is geschonden door de periode die tussen de uitspraak van het hof en het moment dat het hof de stukken aan de Hoge Raad inzendt, ligt en de daardoor ontstane vertraging in de behandeling van de zaak door de Hoge Raad. Met andere woorden: is deze periode te lang, zoals in casu langer dan 8 maanden, dan kan niet gesteld worden dat klager geen belang heeft bij een vaststelling dat de redelijke termijn in zijn zaak is geschonden en zou het cassatieberoep niet op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk mogen worden verklaard. Dit geldt volgens de steller van het middel temeer, nu naast de schending van de redelijke termijn, nog een andere klacht naar voren is gebracht over de inhoud van het arrest van het hof.