Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wet, wetsgeschiedenis, beleid, jurisprudentie en literatuur
Wet(sgeschiedenis)
BNB2005/50) heeft de Hoge Raad de eerder genoemde ‘afroommethode’ in zijn rechtspraak geïntroduceerd. De Hoge Raad overwoog: [21]
BNB2005/381). Het betrof een geval waarin de winst van de B.V. als gevolg van onderhoudswerkzaamheden gedurende een korte periode aanmerkelijk lager lag dan normaal. Nadat de inspecteur een hoger loon in aanmerking had genomen, kwam onder meer de toepassing van de afroommethode uit HR
BNB2005/50 aan de orde. De Hoge Raad oordeelde: [22]
BNB2005/50, namelijk dat het mogelijk is het gebruikelijke loon te berekenen op basis van de opbrengsten van de BV, verminderd met de aan die opbrengsten toe te rekenen kosten (exclusief het loon van die werknemer), lasten en afschrijvingen.
BNB2013/71): [23]
BNB2005/50) maar van ‘werknemers met soortgelijke dienstbetrekkingen’.
Boerleidt hieruit af dat nadruk wordt gelegd op de vergelijkbaarheid van de aard en omvang van de werkzaamheden in abstracto. [24]
BNB2013/71 oordeelde de Hoge Raad in HR
BNB2013/72. In de zaak die daar voorlag was sprake van een vennootschap waar – naast de belanghebbende – nog andere werknemers in dienst waren. De Hoge Raad overwoog: [25]
BNB2013/71, overwoog Hof Amsterdam dat de afroommethode niet kon worden toegepast. [26] Hetzelfde gold volgens het Hof voor de door de inspecteur voorgestelde winstreductiemethode – waarbij van de winst de factor kapitaal wordt afgesplitst teneinde tot een beloning voor de factor arbeid te komen – aangezien die methode grote gelijkenis met de afroommethode vertoonde. [27] Het Hof overwoog voorts dat de vennootschap waarin belanghebbende zijn aandeel in de advocatenmaatschap had ingebracht, niet met die maatschap was verbonden nu geen sprake was van een één derde belang. Aangezien evenmin kon worden aangenomen dat de werknemers van de maatschap bij belanghebbende in dienst zouden zijn, kon het loon van de meestverdienende medewerker van de maatschap (in dit geval de registeraccountant) niet als uitgangspunt worden genomen. Het Hof kwam uiteindelijk tot een vaststelling van het loon op basis van (70 procent van) het salaris van een (senior) advocaat-medewerker van de maatschap.
BNBbij het arrest van 17 september 2004, waarin de afroommethode werd geïntroduceerd (onderdeel 4.13): [30]
NTFR-commentaar bij het arrest van 17 september 2004 met betrekking tot de wijze waarop het gebruikelijke loon dient te worden bepaald: [31]
NTFR-commentaar bij de uitspraak van het hof van 31 maart 2015 (onderdeel 4.20): [36]
Maar ook zonder een (meest) vergelijkbare dienstbetrekking aan te wijzen, kan een gebruikelijk loon worden bepaald in situaties waarin de winst van de werkgever (vrijwel) uitsluitend voortvloeit uit de arbeid van de dga. Deze methode wordt de afroommethode genoemd (HR 17 september 2004, nr. 38.378, NTFR 2004/1381 met commentaar van Boer, en HR 9 november 2012, nr.11/03555, NTFR 2012/2586 met commentaar van De Haan). De gedachte achter deze methode is dat in dergelijke situaties een onafhankelijke derde geen genoegen zal nemen met een lager loon dan de winst die de werkgever met zijn arbeid behaalt.
5.Beschouwing en beoordeling van de middelen
Mutatis mutandisgeldt hetzelfde bij een hoger marktconform loon, doch met een aftrek van 30% [40] met dien verstande dat (4) het loon niet wordt bepaald op een lager niveau dan dat van het loon van de hoogst betaalde (andere) werknemer.
comparable uncontrolled price’ beschikbaar is. [42]
verderis afgenomen aangezien er altijd een meest vergelijkbare dienstbetrekking is. [47] Hieruit kan worden afgeleid dat ook in de visie van de bewindsman, de afroommethode in beginsel subsidiair is ten opzichte van de vergelijkingsmethode.