Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder feit 1 (impliciet cumulatief) ten laste gelegde, voor zover dat inhoudt dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Gegrondverklaring van de verweren met betrekking tot ‘de voordeur’
AHOJG-criteria
verkoopvan softdrugs in coffeeshops onder strikte voorwaarden wordt gedoogd. Eén van de voorwaarden die ook ten aanzien van Checkpoint gold, was dat de handelshoeveelheid softdrugs ten hoogste 500 gram mocht bedragen. Aldus biedt de Aanwijzing geen grondslag voor een splitsing tussen voorwaarden die zien op de ‘voordeur’ en voorwaarden die betrekking hebben op de ‘achterdeur’. Het overtreden van de voorwaarde die ziet op het aanhouden van een maximale handelsvoorraad raakt het gedogen als zodanig, dus (ook) de verkoop van softdrugs.
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 7, omdat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (de voortzetting van) de vervolging voor het deel uitmaken van een criminele organisatie in het onderhavige geval enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Omdat duidelijk was dat coffeeshop Checkpoint erg groot was – al snel bleek het aantal klanten weer toe te nemen – en dus over een enorme aanvoer van drugs moest beschikken, met alle criminaliteit van dien, is het OM doorgegaan met het opsporingsonderzoek. De hypothese was, dat [medeverdachte] werkte onder of samenwerkte met een grote criminele organisatie, die voor de aanvoer van de drugs zorgde. (…) Het heeft enige tijd geduurd om erachter te komen hoe Checkpoint werkte. Over de voordeur was Checkpoint wel open, maar het hield de kaarten gesloten voor wat betreft de achterdeur. (…) Allengs werd duidelijk, dat geen grote criminele organisatie de drugs aanleverde, maar dat (de medewerkers van) Checkpoint zelf een criminele organisatie vormde(n).”
Het OM wilde een onderzoek naar de organisatie die de aanvoer van Checkpoint regelde en die de coffeeshop afschermde van andere criminelen. (…) Ingrijpen, de voorraad in beslag nemen en zoveel mogelijk informatie verzamelen zou een mooie opstap kunnen zijn om de vervolgstap te zetten naar de achterliggende organisatie. Dat was het onderzoek Wolvega. (…) Het beeld dat vervolgens ontstond, dat Checkpoint de aanvoer, bewerking en opslag van hennep geheel zelf regelde, heeft het openbaar ministerie aanvankelijk oprecht verbaasd.”