Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de motivering van ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 5] . Die afwijzing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is niet (zonder meer) begrijpelijk, aldus de steller van het middel, nu het hof daarbij het voor de verdediging strengere criterium “thans in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord” heeft toegepast in plaats van de wettelijke maatstaf ‘onaannemelijk’ als bedoeld in art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv.
"Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd."Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als getuige te verklaren vanuit detentie in Peru.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte de verzoeken van de verdediging tot het horen van de getuigen aangeduid met de nummers 4 t/m 6, 10 t/m 16, 20 en 21 heeft afgewezen, althans dat de motivering van de afwijzingen van deze verzoeken niet zonder meer begrijpelijk is.
NJ2014/441 m.nt. Borgers, telkens voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
derde middelklaagt dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende termen "binnen het grondgebied van Nederland brengen" en/of "tezamen en in vereniging met" een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en het ten gevolge daarvan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, althans dat het bewezenverklaarde, in het bijzonder het tezamen en in vereniging met anderen binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 1650 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
6.4 Opzet
NJ2015/390 m.nt. Mevis - zonder meer worden afgeleid dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van de partij cocaïne. Ik hoef hier niet nog eens samen te vatten waaruit de wezenlijke bijdrage van de verdachte met betrekking tot het feitencomplex heeft bestaan. Dat heeft het hof immers al nauwkeurig gedaan aan het slot van de hiervoor aangehaalde bewijsconstructie. Aan die samenvatting voeg ik slechts toe dat ook [betrokkene 2] van de verdachte naar Nederland moest komen en op verzoek van de verdachte naar de loods is gegaan. Zijn bijdrage heeft de verdachte blijkens de bewijsconstructie geleverd in de vorm van gedragingen gedurende een periode rondom het binnenbrengen van de cocaïne, en is van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te kunnen rechtvaardigen. Ik teken nog aan dat uit de toelichting op het middel (onder 3.3.) valt op te maken dat in cassatie niet wordt weersproken het oordeel van het hof dat uit de feiten en omstandigheden die voor het bewijs redengevend worden geacht wetenschap bij de verdachte van de komst van blikken met cocaïne kan worden afgeleid. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op de zogenoemde kokosnoot-rechtspraak van de Hoge Raad [4] , faalt ook deze klacht omdat een zodanig geval zich hier niet voordoet.