Conclusie
Vereniging van Eigenaren van het Villapark Livingstone,
[verweerder 1] ,
[verweerster 2],
1. Feiten en procesverloop
De comparant sub 1 [ [betrokkene 1] , optredend als gevolmachtigde van Livingstone Vastgoed en van de VvE; eig. toev.] verklaart als schriftelijk gevolmachtigde van de vereniging (…) het mede ten behoeve van die vereniging (…) bedongene aan te nemen. (…)’.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
dat[verweerders] op grond van de koopovereenkomst gehouden zijn tot betaling van een parkbijdrage aan de VvE, maar dat de
omvangvan de door [verweerders] als niet-leden van de VvE verschuldigde bedragen nog niet kan worden vastgesteld.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
onderdeel 1op tegen rov. 6.5.1 en de daarop voortbouwende overwegingen. In rov. 6.5.1 overweegt het hof als volgt:
memorie van antwoord, tevens houdende akte van eis in reconventie, tevens houdende akte inbreng van producties” (onder 15 e.v. en onder 19 e.v.) van [verweerders] , mede gelet op de inhoud van de door VvE genomen memorie van antwoord in incidenteel appel, de volgende grieven van [verweerders] in incidenteel appel tegen de beslissing in reconventie af:
onderdeel 1.1.1betoogt heeft het hof de grieven van [verweerders] te beperkt uitgelegd, in die zin dat het hof de stelling van [verweerders] in nr. 36 van de MvA dat het lidmaatschap van de VvE en de voorwaarden van de koopovereenkomst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn waardoor bij de beëindiging van het lidmaatschap geen sprake meer kan zijn van gebondenheid aan de verplichtingen uit de koopovereenkomst, ten onrechte niet als grief heeft aangemerkt.
onderdeel 1.2.1dat het hof bij de beantwoording van de in rov. 6.8.5 aan de orde gestelde vraag of de VvE een beroep toekomt op art. 14 van Pro de koopovereenkomst, ten onrechte geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan diverse in het middel genoemde stellingen van [verweerders] uit de MvA. In het licht van deze stellingen, in het bijzonder de stellingen dat (i) de koopovereenkomst is aangegaan met de gedachte dat de koper verplicht lid diende te worden en te blijven van de VvE, (ii) partijen geen bedoeling hebben gehad een derdenbeding aan te gaan en (iii) uit de VvE-statuten volgt dat er wel een voorziening is getroffen voor de situatie dat de VvE het lidmaatschap heeft opgezegd, heeft het hof volgens het middel een onjuiste invulling gegeven aan het Haviltex-criterium. In dat verband kan volgens het middel geen belang worden gehecht aan de omstandigheid dat [verweerders] bij het sluiten van de koopovereenkomst wisten dat verhuur van hun villa slechts zou kunnen geschieden via een door de VvE aangewezen organisatie.
onderdeel 1.3.4behoeft geen afzonderlijke bespreking en deelt het lot van de voorgaande klachten.
onderdeel 1.4.2de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven door in rov. 6.8.7 te overwegen dat [verweerders] niet voldoende hebben onderbouwd dat art. 14 van Pro de koopovereenkomst het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [verweerders] aanzienlijk verstoort. Volgens het middel heeft het hof miskend dat uit HvJEU 14 maart 2013, C-415/11, ECLI:EU:C:2013:164, NJ 2013/374, m.nt. M.R. Mok (Aziz/Catalunyacaixa) blijkt dat, indien de consument in een aanzienlijk slechtere situatie verkeert door het sluiten van de overeenkomst met de litigieuze bedingen dan hij zou zijn geweest zonder het sluiten daarvan, sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument zoals bedoeld in art. 3 van Pro de Richtlijn. In dat verband wijst het middel op een aantal door [verweerders] in hun MvA naar voren gebrachte (en reeds in het kader van onderdeel 1.3.3 genoemde) stellingen, die er kort gezegd op neerkomen dat de verhuurvoorwaarden aanzienlijk zijn verslechterd, de bemiddelingsprovisie voor verhuur exorbitant is gestegen en [verweerders] hun lidmaatschap van de VvE hebben opgezegd teneinde niet meer gebonden te zijn aan de gevolgen van de ondemocratische besluitvorming van de VvE (zie p. 9 van de cassatiedagvaarding, stellingen onder e), f) en g)).
onderdeel 1.4.6heeft geen zelfstandige betekenis.
onderdeel 1.5.
onderdeel 1.6faalt, omdat de overweging dat grief B ‘ook voor het overige’ faalt, klaarblijkelijk de conclusie c.q. vaststelling behelst dat de tegen de afwijzing van de reconventionele vordering onder 2 gerichte grief B niet alleen faalt voor zover deze opkomt tegen het oordeel dat art. 14 van Pro de koopovereenkomst een (aanvaard) derdenbeding inhoudt (rov. 6.8.5, slot), maar ook voor zover daarmee een beroep wordt gedaan op wijziging wegens onvoorziene omstandigheden (rov. 6.8.6-6.8.6.2) en op onredelijke bezwarendheid respectievelijk oneerlijkheid (rov. 6.8.7).
onderdeel 1.7deelt het lot van de voorgaande klachten.