3.4De beoordeling van de tenlastelegging
Op 3 maart 2014 bevond aangeefster zich tussen 21.35 uur en 21.40 uur in het huis van haar broer op de [a-straat 1] te Den Haag. Toen zij uit de wc kwam, zag zij iemand in de gang staan. Hij zei: “Stil, stil houd je stil”. Aangeefster ging schreeuwen van schrik. Ze zag dat de man haar een pistool toonde. Aangeefster voelde dat de man haar direct vastpakte. Ze voelde zijn arm om haar nek. Aangeefster schreeuwde hard. Ze zag dat de man het pistool heel dicht tegen haar hoofd hield en voelde dat het pistool haar hoofd raakte. Kort hierna voelde aangeefster een harde klap op haar hoofd. De man deed dit opzettelijk en met kracht. Ze vermoedt dat ze een klap met het pistool kreeg. De andere arm van de man was nog steeds om haar nek. Aangeefster weet niet hoe ze in de woonkamer is gekomen, waar zich haar moeder, haar schoonzus en enige jonge kinderen bevonden. In de woonkamer stond een tweede man naast aangeefster. Deze man hoorde zij zeggen: “houd jullie rustig” en “houd de kinderen stil”. Aangeefster hoorde iemand anders de trap op rennen. De tweede man bleef in de woonkamer voor de deur staan. Ze zag dat hij een pistool op haar gericht hield en dit ook richtte op de andere mensen in de woonkamer. Aangeefster zag dat de man een negroïde uiterlijk had en lang, donker rastahaar in een netje. Het netje was zwart en kwam tot zeker halverwege zijn rug. Ze schatte de man tussen de 20 en 30 jaar oud. De man zei onder andere “houd je stil”, “doe normaal” en “waar is je vader?”. Op een gegeven moment hoorde aangeefster gebonk, waarschijnlijk op het keukenraam. De man in de woonkamer schreeuwde: “we moeten weg” en vroeg schreeuwend “heb je het?”.
Aangeefster hoorde dat iemand de trap af kwam. Ze zag twee mannen weggaan uit de woning.
In een medische verklaring d.d. 22 mei 2014 ten name van aangeefster wordt het letsel dat zij heeft opgelopen op 3 maart 2014 door de geneeskundige omschreven als een wond op het behaarde hoofd.
Getuige [betrokkene 3] bevond zich op 3 maart 2014 tussen 21.30 uur en 21.45 uur in haar woning aan de [a-straat 1] te Den Haag. Zij hoorde aangeefster, haar schoonzus, gillen en zag ineens een donkere man in de gang staan. [betrokkene 3] zag twee zwarte mannen die haar schoonzus bij haar keel hadden vastgepakt en een pistool op haar hoofd hadden gedrukt.
Eén van de mannen zei dat ze moesten gaan zitten. De kinderen gingen schreeuwen. Eén van de mannen had lange rastaharen en had volgens [betrokkene 3] “een petje of zoiets” om zijn haren heen.
Getuige [betrokkene 4] bevond zich op 3 maart 2014 in de woning van haar zonen aan de [a-straat 1] te Den Haag. Om ongeveer 21.30 uur hoorde zij aangeefster, haar dochter, schreeuwen dat er een dief in huis was. [betrokkene 4] zag dat een man samen met aangeefster de huiskamer binnen kwam lopen. Ze zag dat aangeefster aan de zijkant van haar hoofd bloedde en dat de man een pistool in zijn hand had. De man zei tegen [betrokkene 4] , haar dochter en haar schoondochter dat zij op de bank moesten gaan zitten en stil moesten blijven zitten.
Getuige [betrokkene 2] , 15 jaar, liep op 3 maart 2014 om 21.40 uur naar de woning van zijn broer aan de [a-straat 1] te Den Haag. Hij hoorde zijn schoonzus door het geopende raam van de bovenverdieping roepen dat er dieven waren. [betrokkene 2] zag twee jongens uit de woning van zijn broer komen. Zij renden weg over de Tenierstraat, linksaf de Vaillantlaan op, in de richting van de Hoefkade. Van één van de jongens gaf [betrokkene 2] het volgende signalement: Antilliaan, 25 à 30 jaar, lang zwart rastahaar tot op zijn rug, dat in een donkere zak zat welke op zijn rug hing tot net boven zijn heup, korte zwarte jas en donkergekleurde broek.
Een van de personen heeft, terwijl zij aan het wegrennen waren, zijn vuurwapen gericht op getuige [betrokkene 2] .
Getuige [betrokkene 5] bevond zich op 3 maart 2014 omstreeks 21.30 uur op de bovenverdieping van haar woning aan de [a-straat 1] te Den Haag. Zij hoorde haar schoonzus beneden huilen. [betrokkene 5] keek bij de trap naar beneden en zag een onbekende man die haar schoonzus vasthield. Ze heeft zich samen met haar zoontje in haar slaapkamer opgesloten. Toen [betrokkene 5] iemand naar boven hoorde komen, heeft zij het raam van haar slaapkamer opengemaakt en om hulp geroepen. Zij zag buiten haar zwager [betrokkene 2] aan komen lopen en schreeuwde naar hem dat er dieven in huis waren. [betrokkene 5] zag twee mannen uit de woning komen rennen, waarvan er één een pistool in zijn hand had. Ze zag dat deze persoon tijdens het wegrennen zich omdraaide in de richting van [betrokkene 2] en het wapen op [betrokkene 2] richtte.
Op 3 maart 2014 omstreeks 21.40 uur hoorden verbalisanten dat er zojuist op de [a-straat 1] in Den Haag een overval in een woning had plaatsgevonden. Zij hoorden dat er drie personen waren weggerend in de richting van de Vaillantlaan, met het volgende signalement: een persoon met rastahaar, zijn haar in een zak, en de andere personen licht getint.
Om 21.47 uur zagen verbalisanten dat een personenauto, Volkswagen Golf, zwart, kenteken [AA-00-BB] , vanuit de David Blesstraat linksaf de Vaillantlaan op reed.
Zij zagen drie personen in dit voertuig zitten. Op de achterbank zat een donker getinte man met rastahaar. Verbalisanten zagen dat het voertuig rechtsaf de [b-straat] op reed en gaven de bestuurder een stopteken waaraan hij voldeed.
Op het moment dat verbalisanten de inzittenden van het voertuig aanspraken hoorden zij het volgende aanvullende signalementen:
- Een man licht getint, grijs vest, witte capuchon, kort zwart haar, 20-à 25 jaar oud.
- Een man is donkerder, rasta in sok op rug, zwarte jas joggingbroek 25 jaar oud.
- Een man met grijze joggingbroek.
Verbalisanten zagen dat de inzittenden van het voertuig voldeden aan het signalementen.
De verdachte die later bleek te zijn genaamd [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: [verdachte] ), [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] en wonende [woonplaats] , had een donker getinte huidskleur, lang zwart haar tot aan zijn onderrug in zogenaamde rasta staarten, droeg een zwarte jas en donkere spijkerbroek. Hierop zijn de drie inzittenden van het voertuig aangehouden.
Bij de insluitingsfouillering van verdachte zag verbalisant dat hij een zwarte jas droeg. Verbalisant voelde dat er iets in de linkerbinnenzak zat en zag, toen hij het uit de binnenzak had gehaald, dat het een zwarte sok/panty betrof welke wordt gebruikt als hoofddeksel.
Op 5 maart 2014 is in het politiebureau te Den Haag een sequentiële fotobewijsconfrontatie gehouden, met verdachte als confrontatiesubject. Naast de foto van verdachte zijn er nog vijf andere foto’s geselecteerd.
Aangeefster [betrokkene 1] heeft bij deze sequentiële fotobewijsconfrontatie bij het tonen van de foto van verdachte letterlijk gezegd: “Ja. Dat was hij. Heel duidelijk.”
De raadsman heeft aangevoerd dat, nu de fotoselectie door tijdgebrek pas achteraf is getoetst door testobservatoren, de fotobewijsconfrontatie zo onzorgvuldig is geweest dat de onderzoeksresultaten moeten worden uitgesloten van het bewijs en vrijspraak dient te volgen. Volgens de raadsman is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek dat niet te herstellen is en waardoor verdachte in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank maakt uit de opmerking onder het kopje ‘Testobservatie achteraf’ op blz. 137 van het dossier op dat de toetsing door de testobservatoren achteraf niet heeft uitgewezen dat de gebruikte foto’s niet aan de eisen voldoen. Hoewel er sprake is van een fotoconfrontatie die niet is uitgevoerd op de gebruikelijke manier, leidt dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat de fotoconfrontatie niet tot het bewijs mag worden gebruikt. Niet valt in te zien hoe verdachte door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad.
Voor zover de raadsman bewijsverweren heeft gevoerd betreffende de door de getuigen gegeven signalementen van de daders en de wijze van het afnemen van het verhoor dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij deze verklaringen niet voor de herkenning van verdachte gebruikt.
Uit het voorgaande trekt de rechtbank de volgende conclusies.
Het signalement van één van de overvallers dat wordt gegeven door aangeefster komt overeen met dat van verdachte bij zijn aanhouding. Verdachte had bij zijn aanhouding een zwarte panty op zak, waarvan hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij die gebruikte om om zijn haar te dragen. Aangeefster heeft verdachte ook herkend tijdens een sequentiële fotobewijsconfrontatie.
Het tijdsverloop tussen de overval omstreeks 21.35/21.40 uur en de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten omstreeks 21.45 uur is heel kort geweest. De afstand tussen de plaats delict en de locatie waar verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden, bedraagt een paar honderd meter.
Verdachte heeft geen aannemelijke en verifieerbare verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid op die plek in Den Haag die avond.
Met betrekking tot het medeplegen overweegt de rechtbank dat uit de aangifte blijkt dat er sprake is geweest van minstens twee personen die in de woning zijn geweest en gezamenlijk de overval hebben uitgevoerd.
Dat er sprake is geweest van een poging tot diefstal leidt de rechtbank af uit het feit dat aangeefster en getuigen verklaren dat er boven in de woning is gezocht naar iets en er onderling werd gevraagd “heb je het?”.
Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte één van de mannen is geweest die gewapend de woning aan de [a-straat 1] te Den Haag heeft geprobeerd te overvallen.
Aldus heeft verdachte het hem primair ten laste gelegde feit gepleegd.”