Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
perpetuatio fori, dit in tegenstelling tot het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. [4] Bij de huidige internationale stand van zaken moet worden geoordeeld dat in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid zowel toepassing van het beginsel van
perpetuatio forials het achterwege daarvan internationaal algemeen aanvaardbaar is, aldus het hof.
perpetuatio forials het achterwege laten daarvan, internationaal aanvaardbaar is. Subonderdeel II.3 bevat geen afzonderlijke klacht.
perpetuatio fori), merk ik het volgende op. In cassatie zijn geen klachten gericht tegen rov. 4.2 van de bestreden beschikking. Hierin heeft het hof overwogen dat de vraag naar de erkenning van de beslissingen van de Court of Common Pleas wordt beheerst door het commune Nederlandse internationaal privaatrecht, omdat tussen Nederland en de Verenigde Staten geen verdragen van toepassing zijn die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Eveneens is in cassatie onbestreden dat het hof art. 431 lid 2 Rv Pro van belang heeft geacht en dat voor de vraag of de beslissingen van de Court of Common Pleas voor erkenning in aanmerking komen, voldaan moet zijn aan de in de rechtspraak van de Hoge Raad gestelde voorwaarden voor de erkenning van vreemde vonnissen. [5] Het hof heeft deze (vier) voorwaarden in rov. 4.2 vermeld en overwogen dat partijen van mening verschillen over (i) de voorwaarde dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is en (ii) de voorwaarde dat de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Thans gaat het in cassatie uitsluitend om de eerste voorwaarde inzake de internationaal aanvaardbare bevoegdheid. Voor de volledigheid wijs ik erop dat de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in het commune Nederlandse internationaal privaatrecht – dus buiten de gelding van verdragen en verordeningen – niet wordt beheerst door art. 431 lid 2 Rv Pro, omdat deze bepaling geen betrekking heeft op staatvonnissen, zoals rechterlijke beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. [6] Voor de erkenning van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid onder de gelding van het commune internationaal privaatrecht geldt dat de weigeringsgronden neergelegd in art. 23 lid 2 HKV Pro 1996 als richtsnoer kunnen dienen. Dit leidt ertoe (i) dat de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, moet berusten op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven aanvaardbaar is (vgl. art. 23 lid Pro 2, onder a, HKV 1996), (ii) dat in de buitenlandse procedure de beginselen van behoorlijke rechtspleging in acht moeten zijn genomen (waaronder het horen van het kind, vgl. art. 23 lid Pro 2, onder b, HKV 1996), (iii) dat de erkenning van de beslissing, gelet op het belang van het kind, niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde (vgl. art. 23 lid Pro 2, onder d, HKV 1996) en (iv) dat de beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid niet onverenigbaar mag zijn met een naderhand in Nederland genomen maatregel of (v) met een maatregel die naderhand in de staat van de gewone verblijfplaats van het kind is genomen, welke maatregel in Nederland voor erkenning in aanmerking komt (vgl. art. 23 lid Pro 2, onder e, HKV 1996). [7]
communis opinioover internationaal aanvaardbare bevoegdheidsgronden. Afhankelijk van het onderwerp waarop de te erkennen beslissing betrekking heeft, kunnen verdragen en/of verordeningen een concreet handvat bieden. Ter illustratie wijs ik op een arrest van de Hoge Raad van 27 mei 1988, waarin het betrof de erkenning van een buitenlandse echtscheidingsbeslissing en in dat kader de vraag rees of de rechter te Colorado rechtsmacht had om van de echtscheiding kennis te nemen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ter beoordeling van die vraag terecht art. 2 van Pro het Haags Echtscheidingsverdrag van 1 juni 1970 [8] tot richtsnoer had genomen, ook al miste dat verdrag in die zaak rechtstreekse toepassing. [9]
perpetuatio fori– de aangezochte rechter blijft bevoegd ook als in de loop van het rechtsgeding de omstandigheden wijzigen op grond waarvan de rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen – merk ik het volgende op. De Hoge Raad heeft ten aanzien van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 geoordeeld dat het bij
perpetuatio forigaat om een beginsel en niet om een regel zonder uitzonderingen. In het geval van verandering van de gewone verblijfplaats van het kind moet voor de toepassing van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 het beginsel van
perpetuatio foridoorgaans wijken voor het belang van de minderjarige. [16] Ook in het HKV 1996 wordt het beginsel niet gehanteerd (zie art. 5 lid 2 HKV Pro 1996). Een voorstel om
perpetuatio foriin het HKV 1996 op te nemen, kreeg tijdens de verdragsonderhandelingen onvoldoende steun. In het Toelichtend Rapport op het HKV 1996 valt hierover het volgende te lezen:
perpetuatio fori) or whether the change of habitual residence deprives them
ipso factoof this jurisdiction and obliges them to decline its exercise. The Commission rejected by a strong majority a proposal by the Australian, Irish, British and United States delegations favourable to
perpetuatio fori. Certain delegations explained their negative vote by their hostility to the very principle of
perpetuatio foriin this field and wanted jurisdiction to change automatically in case of a change of habitual residence, while other delegations thought that it would be more simple for the Convention not to say anything on this subject thereby abandoning to the procedural law the decision on
perpetuatio fori. The first opinion appeared to be the more exact in the case of a change of habitual residence from one Contracting State to another Contracting State. Indeed it is not acceptable that in such a situation, which is located entirely within the interior of the scope of application of the Convention, the determination of jurisdiction be left to the law of each of the Contracting States. Moreover this solution is one which currently prevails for the interpretation of the Convention of 5 October 1961. On the other hand, in the case of a change of habitual residence from a Contracting State to a non-Contracting State, Article 5 ceases to be applicable from the time of the change of residence and nothing stands in the way of retention of jurisdiction, under the national law of procedure, by the authority of the Contracting State of the first habitual residence which has been seised of the matter, although the other Contracting States are not bound by the Convention to recognise the measure which may be taken by this authority’. [17]
perpetuatio fori. [18] Art. 8 Brussel Pro II-bis bepaalt immers dat de gewone verblijfplaats van het kind beoordeeld wordt op het moment dat de zaak aanhangig wordt gemaakt. [19] Echter, art. 15 Brussel Pro II-bis biedt de mogelijkheid de zaak te verwijzen naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen, hetgeen zich zou kunnen voordoen indien de gewone verblijfplaats van het kind gewijzigd is. Dat art. 8 Brussel Pro II-bis het beginsel van de
perpetuatio forihuldigt, is niet zonder kritiek gebleven. Door vast te houden aan de bevoegdheid van de aangezochte rechter ondanks dat de gewone verblijfplaats van het kind in de loop van het geding is gewijzigd, kan het belang van het kind in het gedrang komen. [20]
perpetuatio forials internationaal aanvaard beginsel. Of het slagen van deze onderdelen tot cassatie van de bestreden beschikking moet leiden, is afhankelijk van de vraag of onderdeel III slaagt. Onderdeel III is immers gericht tegen de tweede zelfstandige grond waarop het hof de bevoegdheid van de Court of Common Pleas internationaal aanvaardbaar heeft geacht.