Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof dat niet is voldaan aan de verplichting om voldoende bewijzen van sollicitaties aan de bewindvoerder te doen toekomen. Aangevoerd wordt dat [verzoeker] heeft aangeboden nadere bewijzen van sollicitaties in het geding te brengen, dat het hof ten onrechte overweegt dat de overgelegde sollicitaties van verschillende personen afkomstig zijn, dat sommige sollicitaties nog lopen, dat [verzoeker] ook mondeling solliciteert waarvan hij geen bewijs kan overleggen en dat via internet verrichte sollicitaties niet te voorzien zijn van een datum. Ten slotte wordt aangevoerd dat het oordeel van dat het hof, dat het hebben van betaald werk niet tot een ander oordeel leidt, onbegrijpelijk is.
tweede onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof onder 3.4 dat geen plaats is voor verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. Dit onderdeel slaagt evenmin. Het oordeel van het hof dat het niet naleven van de sollicitatieplicht ertoe dient te leiden dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] moet worden beëindigd, is gelet op hetgeen onder 3.3 is overwogen, allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Uit dit oordeel vloeit voort dat een verlenging niet aan de orde is.
derde onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de schuldsanering zou moeten voortduren. Aangevoerd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is. Naar mijn mening is deze overweging echter, gelezen in samenhang met de voorgaande overwegingen, niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Dit onderdeel faalt dus eveneens.