ECLI:NL:PHR:2016:490
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid dagvaarding en overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
In deze zaak stond centraal de vraag of de inleidende dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard kon worden en of sprake was van overschrijding van de redelijke termijn na uitspraak van het hof. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onjuiste betekening van de dagvaarding. De verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad overwoog dat het hof slechts aan de beraadslaging over de nietigheid van de dagvaarding toekomt indien het hoger beroep ontvankelijk is verklaard. De klacht dat de inleidende dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend faalt omdat het hof terecht rekening hield met achteraf bekend geworden adresgegevens van de verdachte. Tevens werd overwogen dat het belang van de verdachte bij de klacht over het onvolledige adres niet evident was.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelde de Hoge Raad dat de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep geen aanleiding geeft tot vernietiging van het arrest van het hof, omdat het vonnis van de politierechter onaantastbaar blijft. Het middel dat de redelijke termijn was overschreden werd daarom verworpen.
De Hoge Raad vond geen gronden voor vernietiging van het bestreden arrest en verwierp het cassatieberoep. De uitspraak bevestigt de strikte voorwaarden voor nietigheid van dagvaardingen en de beperkte mogelijkheden tot strafvermindering bij niet-ontvankelijkheid in hoger beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.