Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof het hoger beroep van de veroordeelde tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2012 in de zaak over de last tenuitvoerlegging impliciet ontvankelijk heeft geacht, althans dat het hof geen (uitdrukkelijke en gemotiveerde) beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het genoemde hoger beroep heeft genomen.
tweede middelvalt uiteen in twee klachten. De
eerste klachthoudt in dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in haar vordering tenuitvoerlegging, omdat het voorwaardelijke gedeelte van veertien dagen gevangenisstraf van de bij vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2012 aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf van honderd dagen in zoverre al ten uitvoer is gelegd, dat de veroordeelde in de betreffende zaak reeds honderd dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. In de
tweede klachtwordt gesteld dat het hof in het arrest ten onrechte niet heeft bepaald dat de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft gezeten op de ten uitvoer te leggen straf in mindering wordt gebracht.