Conclusie
erkende schuldeiseres:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“De verificatie eener vordering is authentieke vaststelling en erkenning van het vorderingsrecht. Zij bezit dus geheel het karakter van een rechterlijk vonnis en het is slechts het trekken van eene natuurlijke consequentie, wanneer bepaald wordt dat het proces-verbaal der verificatie-vergadering voor den erkenden schuldeiser een executoriale titel oplevert, ook tegenover den schuldenaar, daar deze door de bepaling van artikel 126 tot Pro partij bij de verificatie wordt gemaakt. Door de hem verleende bevoegdheid tot betwisting worden zijne belangen afdoende gewaarborgd. Indien hij niet betwist, heeft het geen zin de schuldeisers na afloop van ’t faillissement nog eens tot een proces te noodzaken, alleen om een executoriale titel machtig te worden.”(Van der Feltz, II, p. 267).
tenuitvoerleggingvan uitspraken, betreft het alleen uitspraken die een
veroordelingvan enigerlei aard inhouden. [10] De verjaringstermijn uit art. 3:324 BW Pro is twintig jaar. De ratio achter deze lange termijn is dat door de uitspraak het bestaan van de betreffende verplichting dwingend is vastgesteld en de eisende partij heeft doen blijken nakoming te wensen. [11] Bescherming van de schuldenaar tegen bewijsnood wordt in de literatuur genoemd als een belangrijk doel van verjaringsbepalingen. [12] We zullen verderop onder ogen zien of deze ratio ook past bij een verbindend geworden lijst met erkende vorderingen in faillissement waartegen de failliet geen bezwaar heeft gemaakt.
kracht van gewijsde zaakvolgens art. 121 lid 4 Fw Pro. De vordering van de schuldeiser staat hiermee in het faillissement ten opzichte van zijn medeschuldeisers, de curator en de gefailleerde onherroepelijk vast. [22]
inhoudelijkblijft het een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en de verbintenissen daaruit betreffen die uit overeenkomst. De in het proces-verbaal opgenomen vordering is een vordering uit overeenkomst. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de afgifte van het proces-verbaal geschiedt door een rechter. [36] Verjaring van een aldus vastgelegde vordering verloopt niet volgens art. 3:324 BW Pro en nu in onze zaak ook een andere executoriale titel voorhanden is dan een vonnis, moet daar hetzelfde voor gelden. In wezen is dit het argument van [eiser] in cassatie.
inhoudvan hetgeen daarin wordt vastgelegd bepalend is voor de kwalificatie van het proces-verbaal en de toepasselijke verjaringsregel. Dat lijkt mij een behulpzaam criterium dat ik zou willen overnemen. Een proces-verbaal uitgegeven in executoriale vorm kent zodoende niet steeds dezelfde verjaringstermijn gelet op de inhoud van het proces-verbaal. Een in een proces-verbaal opgenomen schikking is een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en het is deze vaststellingsovereenkomst die de verjaringstermijn bepaalt (vijf jaar in beginsel).
inhoudelijke beoordelingplaats door
actieve betrokkenheidvan de R-C en de procedure leidt ook tot
onherroepelijke vaststellingin faillissement van de vordering van de schuldeiser ten opzichte van zijn medeschuldeisers, de curator en de gefailleerde. De
inhoudvan een dergelijk p-v heeft zo mij wil voorkomen een heel ander karakter dan de inhoud van een schikkingsp-v. Dat in geval van non-betwisting als in onze zaak de toets van de R-C minimaal is, maakt dit volgens mij niet anders. Art. 3:324 BW Pro maakt ook geen onderscheid tussen verstekvonnissen en vonnissen gewezen op tegenspraak, als ik het goed zie.