Conclusie
Zitting: 17 juni 2016
(hierna [eiseres] )
1.[verweerder 1] , wonende te [woonplaats] ,
[verweerster 2] ,wonende te [woonplaats]
(hierna [verweerder] c.s.)
1.Feiten
2.Procesverloop
V. Met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2wordt – verdeeld over vijf subonderdelen - opgekomen tegen rov. 11 van het arrest van 21 augustus 2012. In die rechtsoverweging heeft het hof geoordeeld dat er geen verdeling heeft plaatsgevonden, aangezien de nalatenschap reeds door erflaatster was verdeeld bij de door haar gemaakte ouderlijke boedelverdeling. Kort samengevat komt het onderdeel erop neer dat deze overweging onjuist of onbegrijpelijk is, omdat de vaststelling van (de omvang van) de vorderingen wegens onderbedeling wel degelijk kan worden aangemerkt als een verdeling, waaraan [verweerder] c.s. in het onderhavige geval gebonden zijn.
Subonderdeel 2.1richt zich tegen rov. 11 van het tussenarrest van 21 augustus 2012 en betoogt dat onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof daar overweegt dat aangezien de nalatenschap van erflaatster reeds door erflaatster was verdeeld bij de door haar gemaakte ouderlijke boedelverdeling, er (naderhand) geen verdeling meer heeft plaatsgevonden door appellanten. Er behoefden slechts aanvullende boedelwerkzaamheden te worden verricht, zoals aangifte voor destijds het successierecht en mogelijk vaststelling erfdelen kinderen, maar geen verdeling, zo overwoog het hof. Aangevoerd wordt dat het hof hiermee miskent dat vaststelling van (de omvang van) de vorderingen wegens onderbedeling wel degelijk kan worden aangemerkt als een verdeling.
subonderdeel 2.2wordt aangevoerd dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 11, dat de erfgenamen in het onderhavige geval niet waren gebonden aan de waardering voor het successierecht. Uit de tekst van het testament volgt, volgens [eiseres] , een onmiskenbare koppeling tussen de hoogte van het erfdeel en het successierecht.
De klachten uit subonderdeel 2.2 dienen te falen. Bij de ouderlijke boedelverdeling waarvan in deze zaak sprake is, hebben de erfgenamen vorderingen wegens onderbedeling op de vader. Het is daarom op grond van deze ouderlijke boedelverdeling dat de omvang van de onderbedelingsvorderingen moeten worden bepaald. Dat betekent dat het hof terecht heeft overwogen dat erfgenamen bij de vaststelling van hun onderbedelingsvorderingen in hun onderlinge verhouding niet gebonden zijn aan de waardering voor het successierecht en dat de aangegeven waarden voor de heffing van het successierecht erfgenamen (in beginsel) niet binden. Hieruit volgt tevens dat voor zover er al sprake was van overeenstemming tussen vader en [verweerder] c.s. over de aan te geven waarden, dat slechts het geval was voor de heffing van het successierecht. In dat kader heeft het hof ook overwogen dat het hof niet uit de overgelegde stukken is gebleken dat nadien, zoals [eiseres] stelt, overeenstemming tot stand is gekomen over de omvang van de nalatenschap op basis van de aangifte (waarvan het hof aanneemt dat [eiseres] hiermee bedoelt de berekening van de vordering van [verweerder] c.s. op vader). Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. [7]
Op mijn genoemde echtgenoot rust de last de door mijn overige erfgenamen terzake van hun verkrijging uit mijn nalatenschap verschuldigde successierechten voor te schieten. Terugbetaling of verrekening daarvan zal eerst behoeven te geschieden bij de voldoening door mijn genoemde echtgenoot van het door hem op grond van voormelde scheiding en deling wegens overbedeling verschuldigde”) is niet relevant, nu uit dat artikel niets is af te leiden ten aanzien van de vaststelling van de omvang van de onderbedelingsvorderingen. Ook de overige verwijzingen in subonderdeel 2.2 naar de stellingen van partijen maken niet (voldoende) duidelijk dat erfgenamen in het onderhavige geval gebonden waren aan de waardering voor het successierecht. [eiseres] heeft in cassatie ten slotte nog verwezen naar rov. 4.4 van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2011. Daarin is volgens [eiseres] (onbetwist) vastgesteld dat de vaststelling van de vorderingen van [verweerder] c.s. is berekend in de aangifte van successie; volgens haar hebben [verweerder] c.s. in hoger beroep niet erover geklaagd dat zij beiden bekend waren met de hoogte van de aanslag. Dit betoog faalt reeds omdat [verweerder] c.s. tegen de vaststelling van de omvang van de nalatenschap althans hun erfdeel in appel zijn opgekomen (grief I), zodat het hof gehouden was daarover te beslissen.
nade inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht. [10] Dit heeft in beginsel tot gevolg dat ook een vraag omtrent de toepassing van de wettelijke verdeling, zoals die is geregeld in art. 4:15 BW Pro, pas relevant kan zijn indien de nalatenschap is opengevallen na de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht. Dat doet zich hier niet voor, zodat art. 4:15 BW Pro niet van toepassing is en de daar voorgeschreven verzoekschriftprocedure in beginsel niet gevolgd kan worden.
In de lagere rechtspraak is aan de orde gekomen dat onder omstandigheden art. 4:15 BW Pro ook kan worden toegepast op een ouderlijke boedelverdeling die is opengevallen vóór 1 januari 2003. [11] In de betreffende procedure bij de rechtbank Alkmaar hadden verzoekers hun verzoek echter expliciet gebaseerd op art. 4:15 BW Pro. In de onderhavige procedure is dat níet het geval; [verweerder] c.s. hebben, daartoe uitgenodigd door de kantonrechter, in hun akte na comparitie expliciet vermeld dat zij de vorderingen waarom het in cassatie gaat (de vorderingen I en III) baseren op art. 3:178 en Pro 3:185 BW jo art. 677 Rv Pro, zodat de dagvaardingsprocedure moet worden gevolgd. Slechts de vorderingen II en IV (die betrekking hebben op de nalatenschap van vader) hebben [verweerder] c.s. gegrond op art. 4:15 BW Pro, waarbij zij het standpunt hebben ingenomen dat sprake is van een verzoekschriftprocedure. [eiseres] heeft zich hierbij aangesloten in haar antwoordakte na comparitie, zij het dat zij bepleit heeft dat uit een oogpunt van proceseconomie alle vorderingen bij elkaar dienen te blijven. Kortom, de vorderingen waarom het in cassatie gaat, zijn niet gebaseerd op art. 4:15 BW Pro, zodat ook hierom het betoog van [eiseres] dat de verzoekschriftprocedure had moeten worden gevolgd, niet opgaat.
De klacht uit onderdeel 2.5 faalt hiermee.
onderdelen 3.2.1 en 3.2.2betogen dat sprake is van een vermeerdering c.q. wijziging van eis doordat [verweerder] c.s. in tegenstelling tot de memorie van grieven, in de brief van 9 januari 2014 de wettelijke rente vorderen vanaf 2 augustus 2001.