Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
ter beëindiging van een meer dan 10 jaar durende zakelijke betwisting) immers als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW Pro, die beoogt aan een onzekerheid of geschil een einde te maken. Weliswaar stemden formeel de partijen van beide procedures niet overeen, maar materieel was dit wel het geval’ (cursivering hof; A-G).
ICF/Balkenende) [9] en van HR 6 april 2012 [10] heeft miskend, althans dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het toepasselijke recht op de vaststellingsovereenkomst moet worden bepaald aan de hand van – kort gezegd – de nauwste band in samenhang met accessoire aanknoping.
ICF/Balkenende) beslist dat art. 4 lid Pro 5, tweede volzin, EVO zo moet worden uitgelegd dat, wanneer uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt bepaald op basis van art. 4 lid 2 EVO Pro, de rechter die criteria buiten toepassing dient te laten en het recht dient toe te passen van het land waarmee die overeenkomst het nauwst is verbonden. Het arrest
ICF/Balkenendeziet niet op het geval dat een kenmerkende prestatie niet kan worden vastgesteld.
origineleovereenkomst te onderzoeken, nu de partijdeskundigen het onderling niet eens waren en beiden bovendien een
afschriftvan de overeenkomst van 22 april 2004 hebben onderzocht. [24]