Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Defeitenenhetgedinginfeitelijkeinstantie
3.Het geding in cassatie
(Toelichting op) wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Parket bij de Hoge Raad
Holding BV is eigenaar en [X1] BV gebruiker van een bungalowpark met 52 recreatiewoningen in Ermelo. De gemeente legde aan beiden onroerendezaakbelasting (OZB) op, waarbij de Rechtbank oordeelde dat de recreatiewoningen niet als woningen kwalificeren omdat ze niet bestemd zijn voor permanente bewoning. Belanghebbenden stelden cassatie in tegen deze uitspraak.
De Rechtbank baseerde haar oordeel op het criterium dat een onroerende zaak slechts als woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. De Rechtbank verwierp de stelling dat recreatiewoningen als woningen moeten worden aangemerkt, mede vanwege het recreatieve karakter en het verbod op permanente bewoning.
De Advocaat-Generaal betoogde dat het criterium van permanente bewoning onjuist is en dat de fysieke geschiktheid en aanwezigheid van basisvoorzieningen zoals slaapgelegenheid, sanitair en kookgelegenheid doorslaggevend zijn voor de kwalificatie als woning. Ook het feit dat recreatiewoningen bestemd zijn voor tijdelijk gebruik sluit kwalificatie als woning niet uit.
De Hoge Raad volgt deze lijn en verklaart het beroep van belanghebbenden gegrond, waarmee het oordeel van de Rechtbank wordt verworpen. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het woningbegrip in het kader van de OZB, waarbij recreatiewoningen onder voorwaarden als woningen kunnen worden aangemerkt, ondanks het verbod op permanente bewoning.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en oordeelt dat recreatiewoningen als woningen moeten worden aangemerkt voor de OZB-heffing.