Conclusie
eerste middelhoudt in dat het hof het verweer inhoudende dat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de ATV-richtlijnen geldend vanaf 1 januari 2006 nu het zogeheten drempelbedrag aan fiscaal nadeel in casu reeds door de fiscus en de rechtbank is vastgesteld op € 12.000,- en mitsdien lager ligt dan het in voormelde richtlijnen vastgestelde drempelbedrag van € 12.500,- voor ondernemingen, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
tweede middelklaagt dat het hof het voorwaardelijk verzoek tot het voegen van de stukken van de ATV-procedure waar het dossier over spreekt (o.m. dossier, p. 0003) te doen toevoegen aan de processtukken met het oog op het kunnen toetsen van de vervolgingsbeslissing aan de vervolgingsrichtlijnen, op ontoereikende gronden heeft afgewezen.
derde middelhoudt in dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in het bijzonder niet voor wat betreft de wetenschap van de onjuistheid van de door verdachtes partner opgestelde aangifte en/of opzet op samenwerking met [betrokkene 1] .
vierde middelhoudt naar de kern genomen in dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het opzet van [betrokkene 1] op het doen van onjuiste en onvolledige aangifte niet kan worden bewezen omdat aan de onjuiste en onvolledige aangifte een pleitbaar standpunt ten grondslag lag.
vijfde middelklaagt dat de bewezenverklaring niet voldoende met redenen is omkleed omdat uit bewijsmiddel 5, inhoudende een elektronische aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2009, blijkt dat aan totaal terug te betalen een bedrag is vermeld van € 16.325, terwijl uit de overige gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat dit bedrag gerelateerd dient te worden aan de inhoud van het voor het bewijs gebruikte bewijsmiddel 2, inhoudende een verklaring van [betrokkene 2] .