Conclusie
eerste middelkeert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van “(een) andere feit(en) dan terzake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld”.
“Procesgang
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 4.000,00
Verplichting tot betaling aan de Staat
Toepasselijk wettelijk voorschrift
oudSr of op art. 36e
nieuwSr? De stellers van het middel achten deze vraag van belang, nu de feiten waarvoor is ontnomen van vóór de wetswijziging van 1 juli 2011 dateren, de genoemde wet een wijziging heeft gebracht ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht en dus in zo een geval door de rechter op grond van art. 1, tweede lid, Sr de voor de betrokkene gunstigste bepalingen dienen te worden toegepast (vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:653,
NJ2014/409 m.nt. Reijntjes). [2] De voor de betrokkene gunstigste bepaling is dan, aldus de stellers van het middel, het tweede lid
oudvan art. 36e Sr omdat de wijziging van het artikel juist is voorgesteld ter vergroting van de mogelijkheden om ter zake van lichte(re) feiten voordeel te ontnemen [3] , hetgeen onder meer hierin tot uitdrukking komt dat, anders dan bij het tweede lid
nieuw, aan het tweede lid
oudhet bijkomend vereiste verbonden was dat het moest gaan om een “soortgelijk feit” dan wel een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kon worden opgelegd. Maar zelfs, zo vervolgen de stellers van het middel, als het hof zou zijn uitgegaan van art. 36e
oudSr, dan nog valt niet uit te sluiten dat het hof – dat immers rept van “door middel van (een) andere feit(en)” – zijn oordeel heeft gebaseerd op het derde lid
oudSr, hetgeen dan weer van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen omdat voor ontneming op grond van die bepaling onder meer de instelling van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) als voorwaarde gold, terwijl in de ontnemingszaak van de betrokkene van een SFO geen sprake is geweest.
oud, Sr werden verstaan feiten die hetzelfde rechtsbelang beschermen als het ten laste gelegde en bewezenverklaarde gronddelict (MvT,
Kamerstukken II1989/90, 21 504, nr. 3, p. 21/22). In een Arubaanse ontnemingszaak heeft HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7454,
NJ2006/591 overwogen dat onder "soortgelijke feiten" in de zin van art. 38e SrA [4] dienen te worden verstaan feiten die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit behoort waarvoor de betrokkene is veroordeeld. [5] Witwassen van gelden die verkregen zijn uit de handel in verdovende middelen, is, zo vervolgde de Hoge Raad in dat arrest, niet soortgelijk aan het bewezenverklaarde misdrijf van het medeplegen van invoer en/of uitvoer van verdovende middelen. Zou het hof in de bestreden uitspraak hebben aangegeven aan welk ander feit het heeft gedacht, dan zou er misschien nog een mouw aan te passen zijn geweest wanneer dat andere feit tevens soortgelijk is aan het bewezenverklaarde grondmisdrijf witwassen. Maar een dergelijke verduidelijking ontbreekt in ’s hofs uitspraak en bewijsconstructie.
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat voor verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen ruimte bestaat omdat de medeverdachte (en toenmalige partner van de betrokkene) [betrokkene 2] is vrijgesproken van witwassen, onbegrijpelijk is, daar uit het bodemarrest blijkt dat de betrokkene het feit met een ander dan deze [betrokkene 2] zou hebben medegepleegd, terwijl dat oordeel voorts miskent dat dient te worden vastgesteld welk deel van het voordeel daadwerkelijk in het vermogen van de betrokkene is gevloeid.
NJ2006/63 overwogen dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Opmerking verdient nog dat deze overweging niet inhoudt dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, in geval de rechter wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. [7] De omstandigheden van het geval zijn in dezen beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene. [8]