ECLI:NL:PHR:2016:812

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2016
Publicatiedatum
16 augustus 2016
Zaaknummer
15/05024
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 SvArt. 577b SvArt. 157 FaillissementswetArt. 6 EVRMArt. 27l AWR (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij verzet tegen dwangbevel ontnemingsmaatregel

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal, ingesteld door een veroordeelde tegen een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden die verzet tegen een dwangbevel tot betaling van een ontnemingsbedrag ongegrond verklaarde.

De veroordeelde had het verschuldigde bedrag van €137.458,68 niet binnen de wettelijke termijn voorafgaand aan het cassatieberoep voldaan, zoals vereist door art. 575 lid 3 Sv Pro. Ondanks dat de raadsman aanvoerde dat de financiële situatie van de veroordeelde het onmogelijk maakte de consignatie te voldoen, oordeelde de Hoge Raad dat de regeling omtrent zekerheidstelling strikt moet worden nageleefd.

De Hoge Raad overwoog dat de verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet valt onder het toepassingsgebied van art. 6 EVRM Pro, omdat deze procedure slechts de rechtmatigheid van de inning betreft en niet de oplegging van de maatregel zelf. Bovendien is er geen wettelijke ruimte om de consignatieplicht te laten vervallen bij betalingsonmacht.

De Hoge Raad verwees naar een eerdere fiscale zaak waar een uitzondering werd gemaakt op grond van het recht op toegang tot de rechter, maar oordeelde dat deze niet analoog toepasbaar is in strafvorderlijke verzetprocedures. De veroordeelde werd daarom niet ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep, maar behoudt de mogelijkheid om via art. 577b Sv een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van het ontnemingsbedrag in te dienen.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de consignatieplicht.

Conclusie

Nr. 15/05024 Bdw
Zitting: 28 juni 2016
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[veroordeelde=betrokkene]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 10 augustus 2015 het door de veroordeelde op de voet van art. 575 lid 3 Sv Pro aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond verklaard.
De veroordeelde heeft beroep in cassatie ingesteld. [1] Namens de veroordeelde heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. Aan een bespreking van het middel kom ik niet toe gelet op het volgende.
4.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.1. Ingevolge art. 575 lid 3 Sv Pro is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich een brief van de griffier van het hof van 4 april 2016 waaruit kan volgen dat de veroordeelde in de gelegenheid is gesteld om binnen twee weken na dagtekening van die brief het verschuldigde bedrag en al de kosten bij wijze van consignatie te voldoen aan het Bureau Ontneming Openbaar Ministerie (BOOM). Uit het stuk “Verklaring griffier” van 26 april 2016 blijkt echter dat het BOOM binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde heeft ontvangen.
4.2. Bij brief van 13 april 2016, gericht aan de Hoge Raad, heeft de raadsman van de veroordeelde te kennen gegeven dat de veroordeelde niet in staat is het verschuldigde bedrag ter consignatie van € 137.458,68 te betalen. Ter staving van het aangevoerde is een beschikking betreffende een voorschot op de aanvraag van een uitkering levensonderhoud ingevolgde de Participatiewet van 25 maart 2015 van de gemeente Lingewaard bijgevoegd, waaruit kan worden afgeleid dat de veroordeelde over een periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een voorschot ontvangt van € 2.494,95, en tevens een aanmaning van Ziggo van 14 maart 2015, waaruit blijkt dat een automatische incasso voor het bedrag van € 76,- niet heeft kunnen plaatsvinden vanwege een blokkade op de bankrekening van de veroordeelde. Nu de toepassing van het stelsel van zekerheidstelling als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv Pro in casu, gelet op de financiële situatie van de veroordeelde en de omvang van het verschuldigde bedrag, zal neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, dient de veroordeelde in zijn cassatieberoep ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.
4.3. De vraag die hier aan de orde wordt gesteld is - kort gezegd - of de verplichting tot zekerheidstelling in een verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (ex art. 575 lid 3 Sv Pro) leidt tot schending van het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op toegang tot de rechter.
4.4. Art. 575 lid 3 Sv Pro voorziet in de mogelijkheid om tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzet te doen, welk verzet evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis, het arrest of de strafbeschikking, waarbij de geldboete werd opgelegd. In art. 577b Sv is art. 575 Sv Pro van overeenkomstige toepassing verklaard indien een ontnemingsmaatregel - zoals in het onderhavige geval - is opgelegd. In het derde lid van art. 575 Sv Pro is het beperkte karakter van de verzetprocedure tot uitdrukking gebracht. Enkel het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inning door middel van verhaal is aan de orde en niet de rechtmatigheid van – hier - de oplegging van de ontnemingsmaatregel zelf. Tegen de beslissing tot oplegging van de ontnemingsmaatregel door de rechtbank heeft de veroordeelde immers eerder bij het hof respectievelijk de Hoge Raad kunnen opkomen, alwaar hij een verzoek had kunnen doen tot matiging van de maatregel wegens persoonlijke omstandigheden c.q. geringe draagkracht. Voorts is ingevolge art. 575 lid 3 Sv Pro beroep in cassatie tegen de op gedaan verzet door het hof gegeven beslissing mogelijk, echter de ontvankelijkheid van de veroordeelde daarin is afhankelijk gesteld van voorafgaande zekerheidstelling ten bedrage van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De wet voorziet in een verzetprocedure als de onderhavige niet in de mogelijkheid om in de inningsfase geheel of gedeeltelijk vrijstelling van die verplichting te verlenen, terwijl ook de wetsgeschiedenis daarvoor geen aanknopingspunt biedt. [2] Samenvattend kan niet worden gezegd dat de rechter in de verzetprocedure beslist over de gegrondheid van een 'criminal charge' en dat aan hem de bevoegdheid toekomt burgerlijke rechten en verplichtingen van de veroordeelde vast te stellen (geldelijke verplichtingen; ‘determination of civil rights and obligations’). [3] Het vorenstaande brengt mee dat, anders dan de raadsman van de veroordeelde heeft betoogd, art. 6 EVRM Pro op de onderhavige verzetprocedure niet van toepassing is. [4]
4.5. Vervolgens zie ik mij voor de vraag gesteld of in een procedure als deze, hoewel die niet onder art. 6 EVRM Pro valt, de zekerheidstelling ten bedrage van het nog verschuldigde bedrag in alle gevallen op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden voldaan. Aanleiding hiervoor is het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699, in een fiscale zaak. Het ging in die zaak om een aan de belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag betreffende loonbelasting/premie volksverzekeringen en een vergrijpboete. Ingevolge art. 27l (oud) AWR was de betrokkene als gevolg van het aanwenden van hoger beroep griffierecht verschuldigd. Op grond van art. 27l lid 4 (oud) AWR jo. art. 8:41 lid Pro 2 (oud; thans lid 6) Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroep in verzuim is geweest met het betalen van het griffierecht. Daarbij heeft de Hoge Raad de aan de wetgevingsgeschiedenis te ontlenen ratio voor de heffing van griffierecht in een geschil over een belastingaanslag als volgt uiteen gezet:
“3.3.5. Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de bestuursrechter wordt ontnomen (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever als uitgangspunt heeft genomen gevallen waarin de betrokkenen over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.
3.3.6. In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.
3.3.7. Dit laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. In een dergelijk geval kan de hiervoor in onderdeel 3.3.5 bedoelde, door de wetgever beoogde, afweging naar haar aard niet plaatsvinden. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, kan daarom in een dergelijk geval ook buiten de werkingssfeer van de genoemde artikelen niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het onbetaald blijven van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Binnen het kader van de hier toepasselijke wettelijke regeling kan dit gevolg worden voorkomen door aan te nemen dat de betrokkene in deze gevallen met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 8:41, lid 2 (thans lid 6), Awb (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2013, nr. 201110325/1/V2, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443, JB 2013/78).”
Gelet hierop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat - kort gezegd - ook bij bestuursrechtelijke procedures die niet op art. 6 EVRM Pro kunnen worden gebaseerd en waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de betrokkene onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang, aangenomen kan worden dat de betrokkene met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 8:41 lid 6 Awb Pro.
4.6. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft kort na de zojuist besproken uitspraak van de Hoge Raad aanleiding gezien om gelet op de strekking van dat arrest het daarin gekozen uitgangspunt mede van toepassing te verklaren op het hoger beroep in de verzetprocedure zoals geregeld in art. 26a WAHV. [5] Wat daarvan zij - naar mijn mening kan de genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 in de onderhavige strafvorderlijke verzetprocedure niet naar analogie worden toegepast. Dat de rechtsgang in een verzetprocedure in WAHV-zaken min of meer gelijk gesteld kan worden met de verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, waarvan in casu sprake is, heb ik reeds in noot 4 aangestipt. In voornoemde fiscale zaak heeft de Hoge Raad zijn oordeel echter met name gebaseerd op de bedoeling van de wetgever, terwijl ten aanzien van het cassatieberoep volgend op het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden zijn om de verplichting tot het betalen van de zekerheidstelling om enige reden, waaronder betalingsonmacht, achterwege te laten. De wetgever heeft kennelijk geen ruimte willen laten voor een dergelijke uitzondering, zoals ik al eerder heb betoogd onder 4.4. Bovendien gaat het in een zaak als de onderhavige niet (alleen) om de griffiekosten maar om de verplichting tot zekerheidsteling ten bedrage van het nog verschuldigde bedrag. Daar komt bij dat onderhavige verzetprocedure een andersoortig karakter heeft dan een hoger beroepprocedure in een fiscale zaak. Het gaat hier immers uitsluitend om de rechtmatigheidstoetsing van de tenuitvoerlegging via een dwangbevel, waartoe – zonder nadere beperkingen – een rechtsgang bij de rechtbank heeft opengestaan. Wat in art. 575 Sv Pro ‘beperkt’ wordt is de toegang tot de cassatierechter. Die afweging heeft de wetgever naar ik meen zonder in strijd te komen met het recht op toegang tot een rechter kunnen maken. Ik merk daarbij op dat binnen de systematiek van het Wetboek van Strafvordering het ook bepaald geen regel is dat van beschikkingen van de rechter cassatieberoep openstaat. [6]
4.7. Kortom: ik zie geen reden af te wijken van de regel dat zekerheidsstelling is vereist voordat het cassatieberoep ex art. 575 Sv Pro in behandeling kan worden genomen.
4.8. Geheel ten overvloede merk ik tenslotte op dat voor de veroordeelde nog wel de mogelijkheid open staat om de in art. 577b Sv voorziene weg te bewandelen. Op grond van het tweede lid van die bepaling kan een veroordeelde, mocht in de executiefase blijken dat hij daadwerkelijk niet (volledig) aan de aan hem opgelegde betalingsverplichting kan voldoen, de rechter die de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd verzoeken het daarin vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat de veroordeelde niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep, zodat het middel buiten bespreking kan blijven.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Op de akte cassatie is abusievelijk het parketnummer (21-004026-07) vermeld van de onderliggende ontnemingszaak. Bij brief van 20 oktober 2015 heeft de griffier van het hof bevestigd dat sprake is van een misslag en dat de akte cassatie aldus moet worden verstaan in die zin dat de veroordeelde op 18 september 2015 beroep in cassatie heeft doen instellen tegen de op 10 augustus 2015 gegeven beslissing op het verzet dwangbevel ex art. 575 lid 3 Sv Pro.
2.HR 25 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6519.
3.Art. 6 lid Pro 1, eerste volzin, EVRM luidt als volgt: “In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law.”
4.Vgl. in dit verband de verzetprocedure in WAHV (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften)-zaken. Zoals voortvloeit uit het bepaalde in art. 26 lid 3 WAHV Pro staat (ook) in de verzetprocedure bij WAHV-zaken de sanctie vast en gaat het enkel nog om de wijze van verhaal. Zie voorts HR 23 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7141 (Cassatie in belang der wet m.b.t. de verzetprocedure in WAHV-zaak in verhouding met art. 6 lid 1 EVRM Pro).
5.gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5564.
6.Vgl. art. 445 Sv Pro.