Conclusie
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal, ingesteld door een veroordeelde tegen een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden die verzet tegen een dwangbevel tot betaling van een ontnemingsbedrag ongegrond verklaarde.
De veroordeelde had het verschuldigde bedrag van €137.458,68 niet binnen de wettelijke termijn voorafgaand aan het cassatieberoep voldaan, zoals vereist door art. 575 lid 3 Sv Pro. Ondanks dat de raadsman aanvoerde dat de financiële situatie van de veroordeelde het onmogelijk maakte de consignatie te voldoen, oordeelde de Hoge Raad dat de regeling omtrent zekerheidstelling strikt moet worden nageleefd.
De Hoge Raad overwoog dat de verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet valt onder het toepassingsgebied van art. 6 EVRM Pro, omdat deze procedure slechts de rechtmatigheid van de inning betreft en niet de oplegging van de maatregel zelf. Bovendien is er geen wettelijke ruimte om de consignatieplicht te laten vervallen bij betalingsonmacht.
De Hoge Raad verwees naar een eerdere fiscale zaak waar een uitzondering werd gemaakt op grond van het recht op toegang tot de rechter, maar oordeelde dat deze niet analoog toepasbaar is in strafvorderlijke verzetprocedures. De veroordeelde werd daarom niet ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep, maar behoudt de mogelijkheid om via art. 577b Sv een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van het ontnemingsbedrag in te dienen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de consignatieplicht.