Conclusie
1.Inleidende beschouwingen
hard drugsen van
soft drugs [1] . Artikel 2 (middelen op lijst I bij de Opiumwet) heeft betrekking op de eerstgenoemde categorie; artikel 3 op Pro de laatstgenoemde categorie. Hennep [2] en hasjiesj [3] staan op lijst II. Volgens art. 3 Opiumwet Pro is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II: (A) binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; (B) te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren; (C) aanwezig te hebben; (D) te vervaardigen. Art. 3b lid 1 Opiumwet bevat een reclameverbod. Het verbiedt elke openbaarmaking, welke kennelijk erop gericht is de verkoop, aflevering of verstrekking van een middel als bedoeld in art. 2 of Pro art. 3 te Pro bevorderen.
Opzettelijkhandelen in strijd met het verbod in art. 3 onder Pro B, C of D is in het tweede lid strafbaar gesteld als misdrijf, tenzij het feit betrekking heeft op een hoeveelheid hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram (zie art. 11 lid Pro 6). Op het opzettelijk handelen in strijd met het verbod in art. 3 onder Pro B in de uitoefening van een beroep of bedrijf staat een zwaardere straf (art. 11 lid Pro 3). Opzettelijk handelen in strijd met het verbod in art. 3 onder Pro A (import/export) is eveneens met een zwaardere straf bedreigd (art. 11 lid Pro 4). Art. 13a bepaalt dat de in lijst I of lijst II bedoelde middelen verbeurd worden verklaard of aan het verkeer worden onttrokken [4] .
beleidsmatiggeen vervolging of bestuursdwang plaats [6] . In het Nederlandse drugsbeleid nemen de zogenaamde ‘coffeeshops’ een bijzondere plaats in, omdat op die plaatsen de handel in en het gebruik van softdrugs onder bepaalde voorwaarden worden ‘gedoogd’. Coffeeshops worden in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie omschreven als: alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt [7] . Voor het gedogen van bepaalde in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten, gepleegd in coffeeshops, zijn de AHOJ-G-criteria ontwikkeld. Aan het gedogen werden de volgende voorwaarden verbonden: geen reclame maken (A = affichering); geen hard drugs verkopen of voorhanden hebben (H = hard drugs); geen overlast veroorzaken (O = overlast); geen toegang voor, noch verkoop aan minderjarigen (J = jeugd); slechts een geringe hoeveelheid per transactie en niet méér dan een beperkte handelsvoorraad aanwezig (G) [8] .
Recueil des traités des Nations unies, deel 520, nr. 7515; hierna: ‘enkelvoudig verdrag’), en het VN-Verdrag inzake psychotrope stoffen, gesloten te Wenen op 21 februari 1971 (
Recueil des traités des Nations unies, deel 1019, nr. 14956). De daarin vastgestelde maatregelen zijn nadien verscherpt en aangevuld bij het op 20 december 1988 te Wenen gesloten verdrag, waarbij alle lidstaten alsook de Unie partij zijn. Cannabis is een van de bij die verdragen bedoelde stoffen en producten.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
- Onderdeel I.aklaagt dat het hof ten onrechte alleen het arrest van het HvJ EU in de zaak Josemans bepalend heeft geacht. Volgens de toelichting op deze klacht is dat arrest niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of invoering in het gehele land van het I-criterium met ingang van 1 januari 2013 in strijd is met het recht van de Europese Unie: het Hof van Justitie heeft in de zaak Josemans de met de plaatselijke verordening te dienen doelen, de
lokaleernstige overlast en de aangevoerde ontoereikendheid van minder ver gaande maatregelen bepalend geacht. - Onderdeel I.bklaagt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof het niet nodig heeft geacht, na te gaan of (in de bewoordingen van het arrest-Boucherau) een ‘werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging bestond die een fundamenteel belang van de samenleving aantast’. Volgens de toelichting op deze klacht staat in dit geding − ten minste hypothetisch – vast, dat drugstoerisme vrijwel uitsluitend voorkomt in gemeenten in de grensstreek en in die gemeenten voor overlast zorgt.
- Onderdeel I.cklaagt dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom het hof niet heeft onderzocht of een werkelijk en genoegzaam ernstige bedreiging bestond die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, althans niet heeft onderzocht of het invoeren van het I-criterium in het gehele land per 1 januari 2013 objectief gerechtvaardigd was.
- Onderdeel I.dvoegt hieraan toe dat, indien het hof heeft bedoeld dat de inbreuk op het vrij verrichten van diensten als gevolg van het I-criterium wordt gerechtvaardigd door het daarmee beoogde doel (‘bestrijding van het drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast’), het hof miskent dat het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak Josemans slechts berustte op het
lokaledrugstoerisme in Maastricht en de dáárdoor veroorzaakte overlast. - Onderdeel I.ebehelst een motiveringsklacht over de tussenzin in rov. 5, welke luidt:
soft drugsworden verkocht:
Onderdeel III.abestrijdt het oordeel dat niet kan worden gezegd dat de Staat in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot invoering in het gehele land van het I-criterium. Indien het hof in deze overweging het oog heeft op de beoordelingsvrijheid die het EU-recht aan de lid-staten laat (de
margin of appreciation), heeft het hof miskend dat de aan de Staat toegekende beoordelingsvrijheid niet wegneemt dat de desbetreffende maatregel
geschiktmoet zijn om de doelstelling te verwezenlijken en niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.
Onderdeel III.bbestrijdt het in rov. 7 door het hof gebezigde argument dat drugsbestrijding en de vervolging van strafbare feiten landelijke taken zijn. Volgens de klacht zegt dat niets over de proportionaliteit van de inbreuk op het vrije verkeer van diensten, nu overlast van drugstoerisme slechts voorkomt in een gering aantal aan de grens gelegen gemeenten, terwijl zich in de overige gemeenten nauwelijks overlast door bezoekers van coffeeshops voordoet. In gemeenten waar geen drugstoerisme voorkomt bestaat volgens eisers geen noodzaak tot invoering van het I-criterium.
Onderdeel III.cis gericht tegen de overweging aan het slot van rov. 7 dat, voor zover al juist is dat de invoering van het I-criterium heeft geleid tot méér overlast en/of tot een toename van illegale verkooppunten – zoals eisers hadden betoogd – dit neerkomt op een belangenafweging die binnen de beleidsvrijheid van de Staat valt. Volgens het middelonderdeel moeten genomen maatregelen, om aan de proportionaliteitstoets te voldoen, geschikt zijn om de verwezenlijking van het doel te verzekeren. Waar vaststaat dat de bestrijding van de overlast één van de (neven)doeleinden van het I-criterium was en dat de Staat met dit criterium de aantasting van de openbare orde door het drugstoerisme beoogde tegen te gaan, heeft het hof miskend dat het door de Staat gebezigde I-criterium daarvoor geschikt moet zijn.
Onderdeel III.dverbindt hieraan een subsidiaire motiveringsklacht: onbegrijpelijk is waarom de invoering van het I-criterium een geschikt middel zou zijn.
Onderdeel III.ewerkt deze motiveringsklacht nader uit: waar de invoering van het I-criterium tot doel heeft drugstoerisme tegen te gaan, mede vanwege de overlast (bijv. in de vorm van criminaliteit), is voor het oordeel of de maatregel geschikt was om dit doel te verwezenlijken, wel degelijk relevant dat die maatregel juist tot méér overlast heeft geleid.
geschiktmoet zijn om de doelstelling te verwezenlijken en niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, is het hof niet ontgaan: het hof heeft deze vereisten met zoveel woorden opgenomen in rov. 4. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Met de verwijzing door het hof naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Josemans, is niet onbegrijpelijk dat en waarom het hof de invoering van het ingezeten-criterium in het gehele land beschouwt als een maatregel die geschikt is om het beoogde doel (tegengaan van drugstoerisme) en daarmee de naleving door de lid-staat van zijn door het HvJ EU omschreven Unierechtelijke verplichting te bereiken, en niet disproportioneel is.
exportvan cannabis; (v) het beperken van de verkoop van cannabis aan niet-ingezetenen tot een hoeveelheid voor gebruik ter plaatse.
extrabeperking van het vrij verkeer van diensten oplevert.
indirectdiscriminatoir is en, zo ja, of deze indirecte discriminatie objectief gerechtvaardigd en niet disproportioneel is. Ofschoon eisers toegeven dat het I-criterium en het B-criterium met elkaar samenhangen, gaat het volgens het middelonderdeel wel degelijk om verschillende maatregelen: het hof heeft miskend dat het B-criterium een zelfstandige, additionele maatregel is met een grensoverschrijdend effect. Voor hen die geen ingezetene van Nederland zijn levert het lidmaatschapsvereiste (het B-criterium) een hogere drempel op dan voor hen die wel ingezetene zijn, gelet op het in Nederland wél en in andere landen niet gevoerde gedoogbeleid. Het B-criterium verlangt het aangaan van het lidmaatschap van een coffeeshop en het registeren en beschikbaar houden van hoogstpersoonlijke gegevens. Daarbij komt dat het B-criterium een door het I-criterium reeds gediend doel dient. Subsidiair klaagt het middel over onbegrijpelijkheid van de redengeving.
extrabeperking op. De vraag of de invoering van het B-criterium op een andere grond dan strijd met het vrij verkeer van diensten binnen de EU onrechtmatig was jegens eisers, is door het hof afzonderlijk besproken in rov. 10 – 14. Onderdeel IV faalt.
Onderdeel V.ais in het bijzonder gericht tegen rov. 12, waarin het hof overweegt: “Daargelaten dat niet is gebleken dat BCD e.a. mede opkomen voor de belangen van de coffeeshopbezoekers …”. Voor zover het hof met deze passage tot uitdrukking heeft willen brengen dat eisers geen belang hebben bij hun vorderingen, althans zelf niet door de gestelde privacy-inbreuk worden getroffen, klaagt het middelonderdeel dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: indien klanten wegblijven ten gevolge van de invoering en handhaving van het B-criterium, lijden eisers schade in de vorm van omzetderving.
jegens eisersonrechtmatig heeft gehandeld; niet of de Staat
jegens de coffeeshopbezoekersonrechtmatig heeft gehandeld.
Onderdeel V.changt hiermee samen. Het is gericht tegen rov. 13, waar het hof overweegt: “Dat het weren van niet-ingezetenen een zodanig grote invloed op de grootte van de coffeeshops zou hebben als in de praktijk kennelijk is gebleken, was niet in die mate voorzienbaar dat geoordeeld moet worden dat de Staat daarom in redelijkheid niet tot de invoering van het B-criterium heeft kunnen besluiten”. De toelichting op deze klacht wijst op de (door eisers in eerste aanleg en in appel als argument aangevoerde) waarschuwingen voor een grote omzetterugval en op publicaties uit de periode vóór de invoering van het B-criterium.
op die grondhad behoren af te zien van invoering van het B-criterium. Onbegrijpelijk is de motivering niet. Voor zover eisers met deze klachten bedoelen dat het hof nader had moeten uitleggen waarom de Staat niet het risico had mogen nemen dat invoering van het B-criterium zou leiden tot een grote terugloop van hun omzet, volgt uit rov. 13 waarom het hof anders heeft geoordeeld: bij het vaststellen van de voorwaarden waaronder het plegen van (nog steeds) strafbare feiten wordt gedoogd, beschikt de Staat over een beoordelingsruimte. Het hof heeft de beslissing van het College van procureurs-generaal tot invoering van dit criterium getoetst aan de redelijkheid. Beide motiveringsklachten falen.
rechtstreeksjegens eisers onrechtmatig handelt door de in het middel genoemde voorschriften uit de Wet bescherming persoonsgegevens niet na te leven, maar het standpunt dat – kort samengevat – de Staat c.q. het Openbaar Ministerie van te voren moet hebben beseft dat, door vaststelling en handhaving van dit ‘gedoog’-criterium, consumenten, die bezwaar hebben tegen registratie van hun persoonsgegevens, worden afgeschrikt van het bezoek aan een coffeeshop van eisers en dáárom onrechtmatig jegens eisers handelt. In rov. 14 geeft het hof een opsomming van wettelijke voorschriften ter bescherming van de privacy, om vervolgens tot de slotsom te komen dat de stelling van eisers moet worden verworpen. In de redenering van het hof was, bij het bestaan van zoveel garanties voor de privacybescherming, voor de Staat niet van tevoren te voorzien dat de omzet van de coffeeshops zou terugvallen, althans niet in een zodanige mate dat de Staat om die reden van invoering van het B-criterium had moeten afzien.
up to date-ledenadministratie, het uitgeven van pasjes en dergelijke. Dat zou in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel. Ook die zienswijze echter ontstaat door de Aanwijzing geen verplichting: niemand is verplicht of gerechtigd om feiten te begaan of te bevorderen die (nog steeds) strafbaar zijn gesteld. De stelling dat coffeeshophouders zich in de praktijk wel zullen richten naar de in de Aanwijzing Opiumwet gestelde voorwaarden, ten einde niet te worden vervolgd, doet daaraan niet af. Onderdeel VII faalt om deze reden.