Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
second opinion [3] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
speedily’)over het voortduren van de vrijheidsbeneming te beslissen [13] . Inmiddels heeft de Hoge Raad in een beschikking van 15 november 2013 [14] geoordeeld dat het wettelijk stelsel, mede gelet op art. 5 lid 4 EVRM Pro, meebrengt dat de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie dient te beslissen
binnen vier wekennadat het deskundigenbericht ter griffie is ingekomen. De vraag hoe lang de vrijheidsbeneming in afwachting van het resultaat van het medisch onderzoek mag duren ligt, als ik mij niet vergis, nog open [15] .
unlawful’doet zijn. Voorts wijst het cassatierekest (blz. 3) op de omstandigheid dat de rechtbank de behandeling van de zaak had aangehouden voor twee maanden, dus tot 9 augustus 2015. Dit maakt volgens de klacht onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft gemeend, bijna zeven maanden na de dag waarop de officier van justitie het verzoek had ingediend, de vrijheidsbeneming te kunnen verlengen met een jaar zonder de inmiddels verstreken tijd in mindering te brengen. Tot zover de klachten.
lawful’) is in de zin van art. 5 lid 1 EVRM Pro, hangt volgens het EHRM niet slechts af van het toepasselijke nationale recht: het wordt mede bepaald door de autonome betekenis in het licht van doel en strekking van deze verdragsbepaling, te weten: de bescherming tegen willekeurige vrijheidsbeneming [17] . Op grond van deze verdragsautonome betekenis nam het EHRM in de zaak [A] /Nederland een schending van art. 5 lid 1 EVRM Pro aan, wat betreft de detentie tussen de datum waarop de voorafgaande periode van terbeschikkingstelling verstreek en de dagtekening van de beslissing van de rechtbank op de vordering tot verlenging (23 september 1993) [18] .
geheleperiode tussen de dag waarop de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging verstreek (3 juni 2015) en de dagtekening van de bestreden machtiging tot voortgezet verblijf (16 december 2015) in mindering te brengen op de maximumperiode van een jaar waarvoor de machtiging wettelijk kon worden verleend.
een gedeeltevan het tijdvak tussen 3 juni en 16 december 2015 in mindering behoort te worden gebracht op de maximumperiode van een jaar waarvoor de machtiging wettelijk kon worden verleend. Zoals gezegd: het nationale recht noopt daartoe niet. Gelet op de verdragsautonome betekenis van het woord rechtmatig (‘lawful’) in art. 5, lid 1 onder e, EVRM, zal onderscheid moeten worden gemaakt tussen de tijd die redelijkerwijs nodig was voor het uitvoeren van de (door betrokkene verzochte en door de rechtbank toegestane) contra-expertise en, anderzijds, de wachttijd die nodeloos verloren is gegaan, al dan niet als gevolg van onvoldoende inspanning van de rechtbank en/of van de ingeschakelde deskundige om het bevolen psychiatrisch onderzoek tijdig te doen voltooien.
medical expertberust. Volgens de rechtsklacht heeft de rechtbank daarmee gehandeld in strijd met art. 5, lid 1 onder e, EVRM. Subsidiair is volgens het middelonderdeel onbegrijpelijk dat de rechtbank, alvorens haar eindbeschikking te geven, niet om een recente geneeskundige verklaring met behandelplan en aantekeningen heeft gevraagd; in ieder geval heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom zij meent te mogen uitgaan van medische informatie van zeven maanden oud.
medical expert. Niet kan worden volstaan met het overleggen van psychiatrische rapportage die in het verleden ooit over de betrokkene is opgemaakt:
de inhoudvan de geneeskundige verklaring en in het bijzonder: de diagnose en de daarbij passende medische behandeling; niet als betrekking hebbend op
de opstellervan de geneeskundige verklaring. Onderdeel III faalt.
second opinionbinnen twee maanden te doen voltooien, valt niet – en zeker niet zonder meer− in te zien dat een tekortschieten door de rechtbank in de nakoming van deze verplichting in de weg staat aan inwilliging van het inleidend verzoek van de officier van justitie. Bij de rechtbank is niet aangevoerd dat het trage verloop van het deskundigenonderzoek aan de officier van justitie kan worden toegerekend. Onderdeel IV leidt niet tot cassatie.