AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt juiste toepassing kansschadeleer bij beroepsaansprakelijkheid advocaat
Deze zaak betreft een cassatieberoep in een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen een advocaat die verzuimd zou hebben tijdig rechtsvorderingen te stellen, waardoor verjaring optrad. De procedure is het sluitstuk van een reeks procedures die teruggaan tot de jaren 90, waarbij meerdere advocaten betrokken waren. De Hoge Raad toetst of het hof het leerstuk van kansschade juist heeft toegepast en binnen de grenzen van de rechtsstrijd is gebleven.
Het hof had geoordeeld dat, indien de beroepsfouten van de advocaat vaststaan, aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van het verlies van de kans dat de onderliggende vorderingen succesvol zouden zijn geweest. De Hoge Raad bevestigt dat dit leerstuk toepasselijk is en dat het hof terecht heeft onderzocht of de vorderingen een reële kans van slagen hadden. Daarnaast is besproken of het hof terecht rekening hield met verweren die de wederpartij in de onderliggende procedures mogelijk had kunnen voeren.
De Hoge Raad concludeert dat het hof niet onjuist heeft gehandeld door deze verweren mee te nemen, gelet op een partijafspraak en de complexe aard van de zaak. De klachten tegen de motivering en toepassing van het kansschadeleer, alsmede tegen de beoordeling van de verschillende vorderingen, worden verworpen. Het cassatieberoep wordt afgewezen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Voetnoten
2.Rov. 1 van het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013, waarnaar het gerechtshof Den Haag in rov. 1 van zijn arrest van 27 januari 2015 verwijst.
3.Tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2010, rov. 1 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2010, rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 augustus 2011, rov. 1 en 2 van het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, m.nt. P. van Schilfgaarde en p. 1 en 2 van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 januari 2015. 4.[eiseres] heeft op 24 april 2015 de cassatiedagvaarding uitgebracht.
5.Het procesdossier van [eiseres] bevat de volgende documenten die in het procesdossier van [verweerder] ontbreken:
9.Anders dan bij een proportionele benadering, zie onder meer HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, NJ 2013/237 m.nt. S.D. Lindenbergh, rov. 3.5.2. 10.HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, NJ 2013/237 m.nt. S.D. Lindenbergh (Deloitte/ [...] ), rov. 3.8. 12.HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6541, NJ 2007/63, rov. 3.4.3. Zie ook recent (in een zaak betreffende een niet-nagekomen overheidstoezegging): HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 3.7.2. 14.Onderdeel 5.10.3 appeldagvaarding van 31 december 2010 en onderdelen 2.4 en 3.4 van de pleitnota van 18 november 2014 in de procedure na verwijzing. Ook [verweerder] heeft in onderdeel 5.2 van de memorie na verwijzing gesteld dat zal moeten worden onderzocht in hoeverre [eiseres] heeft aangetoond dat de zaak tegen [B] wel degelijk kans van slagen had.
16.Zie ook de s.t. van [eiseres] .
17.Zie de s.t. van [eiseres] , p. 17.
18.Zie rov. 13 van het bestreden arrest.
19.Zie de s.t. van [eiseres] onder 4.1.
20.Onderstreping hof.
21.Onderdeel 12 inleidende dagvaarding en onderdeel 19 pleitnotities Roham 14 april 1993, productie 6 bij de conclusie van repliek in de procedure [eiseres] / [B] II, procesdossier van [eiseres] , ordner C.III.
22.Zie rov. 5 vonnis rechtbank Amsterdam van 23 juni 1993 in de procedure Roham / [C] , productie 6 bij de conclusie van repliek in de procedure [eiseres] / [B] II, procesdossier van [eiseres] , ordner C.III.
23.Rechtsoverweging 3 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 1994, productie 6 bij de conclusie van repliek in de procedure [eiseres] / [B] II, procesdossier van [eiseres] , ordner C.III.
24.Zie voetnoot 9 cassatiedagvaarding; van de genoemde vindplaatsen is in het kader van subonderdeel 3.3 alleen de appelpleitnota van [eiseres] van 21 juni 2011, §10.2 relevant. De overige genoemde vindplaatsen betreffen geen processtukken van de onderhavige procedure tegen [verweerder] , maar zijn door [eiseres] in het geding gebrachte (proces)stukken uit de procedure [eiseres] / [B] II waarop in de genoemde paragraaf in de appelpleitnota niet expliciet een beroep is gedaan.
25.Zie rov. 24 van het in cassatie bestreden arrest.
26.Op die datum is bij kortgedingvonnis de vordering tot ontruiming tegen Planex afgewezen wegens het ontbreken van de voor de huuropzegging vereiste schriftelijke sommatie.
27.Zie rov. 25 van het in cassatie bestreden arrest.
28.Procesdossier [eiseres] , ordner C.II.
29.Per 1 september 1990 is McGregor de huur rechtstreeks aan Roham gaan betalen (rov. 2.11 vonnis rechtbank Den Haag van 18 oktober 2006 in de zaak [eiseres] / [B] II, nr. 11 in ordner C.IV).
30.In par. 6.1 van haar schriftelijke toelichting.
31.Zie rov. 28 en 29 van het in cassatie bestreden arrest.
32.Zie de rov. 35 en 36 van het in cassatie bestreden arrest.
33.In par. 8.1 van haar schriftelijke toelichting.
34.Procesdossier [eiseres] , ordner A.2.
35.Zie de rov. 38 en 39 van het in cassatie bestreden arrest.