Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
uitsluitend [20] contact onderhield met [C] via [D] , omdat Roham voornamelijk dit contact onderhield via Panday en [betrokkene 5] zelf. Dit betekent immers dat de contacten in elk geval deels ook via [D] verliepen. Dat [D] niet op de hoogte was van de (voor Roham belangrijke) beschikking van de kantonrechter van 20 december 1989, en hierover – dus ook over de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep daartegen – niet met [betrokkene 5] en Panday heeft gesproken, acht het hof niet aannemelijk. Wat daarvan zij, volgens de notitie van [D] heeft [C] de beschikking wel aan Panday (en dus aan Roham ) toegezonden.
subonderdelen 1.2, 3.1, 4.1 en 5.4voor zover deze zijn gericht tegen rechtsoverweging 16. Rechtsoverweging 17 kan de beslissing van het hof betreffende vordering A in de procedure tegen [C] immers zelfstandig dragen.
subonderdelen 2.3, 3.4 en 4.2.
op dat momenttot de beëindiging van de huurovereenkomst had geleid. Dat moment was 7 december 1990. In de periode tussen 19 juli 1990 en 7 december 1990 was Planex, zoals achteraf bleek ten onrechte, “ontruimd” [29] . Daarom heeft het hof het – gelet op de eerdere procedures en de niet geringe vordering die Planex op Roham had – aannemelijk geacht dat Planex zich bij een dergelijke nieuwe huuropzegging niet zou hebben neergelegd. Nu de stellingen van [eiseres] niet zien op de situatie op 7 december 1990, doen deze, zonder nadere motivering, niet af aan het oordeel van het hof. Daarmee is het oordeel van het hof niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
subonderdelen 2.4, 4.3, 4.4alsmede
5.1-5.3 en 5.5richten zich tegen de hiervoor samengevatte oordelen van het hof in de rechtsoverwegingen 30-34.
subonderdelen 2.5 en 3.5gericht.
.[eiseres] stelt dat de twee verzuimen van [B] die de grondslag vormen van Rohams vordering g gelijk zijn aan de verzuimen die ten grondslag zijn gelegd aan (de door WAP aan [eiseres] overgedragen) vordering h [33] . Daarvan uitgaande hoefde [B] of [verweerder] de verweren in het kader van de vorderingen g niet voor vordering h te herhalen. Daarop strandt de klacht.
subonderdelen 2.6 en 3.6zijn gericht tegen rechtsoverweging 43 waarin het hof heeft geoordeeld dat het hoe dan ook tot executoriale verkoop van de loods van Roham was gekomen wegens verhaalsacties van Planex.
subonderdeel 2.3voor zover dit betrekking heeft op het oordeel van het hof in rechtsoverweging 42 over de waarschijnlijkheid dat het beroep van Planex op het verrekeningsverbod en/of de cessie aan ADP door de rechter onaanvaardbaar zou zijn geacht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.