Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Ten geleide
2.De bijtelling en de verklaring ‘geen privégebruik’ in de loonbelasting
5.Informatieverzameling en -verstrekking door de Politie
7.Rechtmatigheid zelfstandige vergaring ANPR-gegevens door de Belastingdienst
2.De bijtelling en de verklaring ‘geen privégebruik’ in de loonbelasting
(Begrenzing van) bevoegdheden van de Belastingdienst ter verkrijging van de voor de aanslag benodigde gegevens
Bevoegdheden van de inspecteur op grond van de AWR en de Awb
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieschrijft hierover: [12]
Feterisniet betrekking te hebben op met name genoemde derden: [14]
Stad Rotterdam, waarin de Hoge Raad overwoog dat ‘de wetgever (…) met voordacht geen beperking heeft opgenomen ten aanzien van de in die bepaling bedoelde derden’. [17]
Buitenwettelijke bevoegdheden tot informatievergaring
Feteriskan bij buitenwettelijke informatievergaring gedacht worden aan kennisneming van openbaar toegankelijke bronnen en aan waarnemingen op openbaar toegankelijke plaatsen. [21] In zijn noot bij het arrest schrijft
Feterisdat, howel de Hoge Raad geen norm formuleert, de de beginselen van behoorlijk bestuur waarschijnlijk de grenzen bepalen van de mogelijkheden om informatie te verkrijgen zonder ene beroep te doen op een wettelijke bevoegdheid: [22]
Sunday Timesin 1979: [30]
accessible), voorzienbaar (
forseeable)en precies (
sufficient precision) zijn.
Kahn,waarin het EHRM oordeelde dat afluisterpraktijken door de Britse overheid niet geschiedden in ‘accordance with the law’, omdat de regels dienaangaande waren opgenomen in richtlijnen (‘Home Office Guidelines’) die ‘neither legally binding nor directly publicly accessible’ waren. [31]
enigewettelijke basis voorhanden is. Wel is vereist dat deze wettelijke basis daadwerkelijk is gericht op de beperking van het recht in kwestie. Het Hof heeft in dit verband vaak moeite met het gebruik van heel algemeen geformuleerde bevoegdheidsgrondslagen, zoals blijkt uit
P.G. & J.H t. VK(2001). [34] Daarin werd het plaatsen van afluisterapparatuur gebaseerd op de algemene bevoegdheid van politie om bewijs te verzamelen, omdat een specifiekere grondslag op het relevante moment nog ontbrak.
openbaarheid) en of deze mag verwachten dat de regeling in een inbreuk op zijn recht op privacy voorziet (
voorzienbaarheid). Het conglomeraat van deze deelvereisten op het vereiste van een wettelijke grondslag, vormt feitelijk een weergave van het belang dat het EHRM stelt in de rule of law. Doordat het EHRM een aanzienlijke discretionaire bevoegdheid toekent aan de staat, is tussen partijen het al dan niet voldoen aan het eerste deelvereiste voor de inbreuk op het recht op privacy, meestal niet in geschil.
margin of appreciationtoe.
Leandererkende het Hof dat in het licht van artikel 8 EVRM Pro een inzage- en correctierecht moest worden geboden. [48] Zonder inzage zou een betrokkene immers zijn claim dat zijn gegevens in strijd met artikel 8 EVRM Pro worden verwerkt, niet hard kunnen maken.
Funke.Uit dit arrest blijkt dat voor de vraag of een inbreuk proportioneel is, van belang is of de inbreuk met voldoende juridische waarborgen is omkleed. [49]
De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
4.Het gebruik van onbevoegd verkregen informatie bij het opleggen van de aanslag
NJ2007, 179, geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
5.Informatieverzameling en -verstrekking door de Politie
verstrekkingvan gegevens (hetgeen pas aan de orde komt nadat dat gegevens zijn verzameld en – in overeenstemming met de regels van het Wpb en de Politiewet – zijn bewaard). De AWR kan mijns inziens niet de regels van de Wpg opzijzetten voor zover zij betrekking hebben op de voorwaarden waaronder politiegegevens mogen worden verzameld en opgeslagen.
Rechtmatigheid gebruik ANPR-gegevens van de Politie bij het opleggen van de aanslag
Verzameling en verwerking van ANPR-gegevens door de Politie: in overeenstemming met de Politiewet en de Wpg?
Zwolsmanheeft de (Strafkamer van de) Hoge Raad geoordeeld dat, zou het vastleggen van de ANPR-gegevens al een inbreuk vormen op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene in de zin van artikel 8 EVRM Pro, de globale taakomschrijving van artikel 3 van Pro de Politiewet (handhaving van de openbare orde) een toereikende wettelijke grondslag biedt voor deze inbreuk. De Hoge Raad overwoog: [102]
hit/no hit-systeem toelaatbaar zou zijn. (…)
hit/no hit-systeem. Maar hoe ver, dat geeft de Hoge Raad niet concreet aan. De reden daarvoor zal er ongetwijfeld mede in zijn gelegen dat thans een wetsvoorstel aanhangig is waarin ANPR nader wordt genormeerd (…). Maar ook daarbuiten zou het voor de Hoge Raad lastig zijn geweest om dat min of meer algemene kader te formuleren, juist omdat het bij de toelaatbaarheid van ANPR in het licht van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer aankomt op het samenspel tussen de mate waarin kentekengegevens worden verzameld, de duur van de opslag van de gegevens en – de drempels ter zake van – de raadpleegbaarheid van de gegevens. Het werken met zo veel variabelen vraagt om een regeling die de rechter, wil hij zijn rechtsvormende taak niet te buiten gaan, niet kan ontwikkelen. Het wetsvoorstel verschaft wel een samenhangend stelsel van voorschriften, waarin veel ruimte wordt geboden om kentekengegevens (en daarmee verband houdende informatie) te verzamelen – ook zonder dat op het moment van verzamelen een concrete aanleiding daarvoor bestaat – maar tegelijk wordt voorzien in specifieke voorschriften omtrent de duur van opslag en de toegang tot de gegevens.
nietmatchen met het referentiebestand en/of gegevens die niet relevant zijn in verband met een lopend onderzoek, in strijd is met de wet: [108]
Het wetsvoorstel ANPR: versoepeling bevoegdheden Politie verwerking ANPR-gegevens
hitoptrad met het referentiebestand gedurende tien dagen te bewaren, in strijd handelde met de Wpg. Eenzelfde oordeel werd gegeven ten aanzien van het politiekorps Rotterdam Rijnmond, dat passagegegevens 120 dagen bewaarde. Uit het systeem van de Wpg en de Wbp volgt volgens het CBP dat de kentekengegevens die geen
hitopleverden, onmiddellijk vernietigd hadden moeten worden.
hit-systeem in de gegevens worden gezocht. [115]
hit-systeem (dus na een concrete aanleiding) in de verzamelde gegevens kan worden gezocht en (iv) de bewaartermijn is beperkt tot vier weken. [119]
Het convenant van 26 januari 2011 (medegebruik camerabeelden/ANPR-gegevens)
Conclusie
alleauto’s die door een bepaalde camera zijn vastgelegd, worden de grenzen van deze wettelijke eis mogelijk overschreden.
7.Rechtmatigheid zelfstandige vergaring ANPR-gegevens door de Belastingdienst
Het convenant van 28 oktober 2014 (medegebruik ANPR-camera’s)
Kamervragen herziening convenant
Schouwen
Oosenbrughebben op 30 oktober 2014 Kamervragen gesteld over het herziene convenant. De vragen hebben betrekking op de mogelijkheden die de Belastingdienst heeft om zelfstandig informatie te vergaren. De Staatssecretaris heeft de herziene (huidige) werkwijze als volgt toegelicht: [137]
Herbecq [144] oordeelde het EHRM dat geen sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wanneer in de openbare ruimte camerabeelden van een betrokkene worden gemaakt, maar deze niet worden opgenomen. Het EHRM neemt hierbij in aanmerking dat ‘the data available to a person looking at monitors is identical to that which he or she could have obtained by being on the spot in person’ en dat sprake is van ‘openbare gedragingen’.
P.G. and J.H.blijkt dat ook het opnemen van situaties die zich afspelen in de openbare ruimte niet snel een aantasting zal opleveren van de privésfeer van de betrokkene. De betrokkene zal onder die omstandigheden immers de redelijke verwachting hebben dat hij zichtbaar is voor andere leden van de maatschappij. Op het moment dat het vastleggen van de gegevens echter op systematische of permanente wijze geschiedt, kan dit anders zijn, aldus het EHRM: [145]
Peck, dat twee jaar later door het EHRM werd gewezen, betrof een geval waarin de Britse overheid via camera’s op straat een zelfmoordpoging van een persoon had waargenomen, en vervolgens, zonder bescherming van de identiteit van de betrokkene, delen van deze beelden had verspreid. De betrokkene in deze zaak kwam niet zozeer op tegen de opname van de beelden, maar wel tegen het onvoorziene gebruik ervan. Het EHRM overweegt eerst in algemene zin: [146]
Conclusie
P.G. & H.J.). [151]
Sunday Times [152] volgt dat de eis van een wettelijke grondslag meebrengt dat de wet toegankelijk c.q. openbaar moet zijn, en dat de gevolgen van de wet voor de betrokkene in een bepaalde mate voorzienbaar moeten zijn. [153]
)waarnemingen in openbare gelegenheden. Van dit laatste is, blijkens de vaststelling dat de handeling een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, geen sprake. De ANPR-gegevens kunnen dus niet worden aangemerkt als gegevens die de Inspecteur
ter beschikking staanals bedoeld in artikel 11 AWR Pro. [154]