Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 november 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond centraal of het gebruik van gegevens verkregen via Automatic Number Plate Recognition (ANPR) door de politie in strijd was met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat onherstelbare vormverzuimen regelt. De politie IJsselland had in een onderzoek naar autodiefstallen kentekens van twee voertuigen handmatig vergeleken met kentekens die via ANPR waren gescand en opgeslagen. Deze gegevens werden binnen de in het projectplan vastgestelde bewaartermijn van zeven dagen verwerkt.
Het hof had geoordeeld dat er geen sprake was van een onherstelbaar vormverzuim omdat de verwerking binnen de wettelijke kaders van de Wet politiegegevens plaatsvond en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte beperkt was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte.
De Hoge Raad benadrukte dat het ANPR-systeem valt onder de dagelijkse politietaak en dat de verwerking van politiegegevens noodzakelijk, rechtmatig en proportioneel moet zijn. Het gebruik van ANPR-gegevens in dit onderzoek was gericht op de bestrijding van criminaliteit en het monitoren van criminelen, wat binnen de wettelijke doelstellingen valt. De gegevensverwerking vond plaats binnen de toegestane bewaartermijn en was niet meer dan een beperkte inbreuk op de privacy.
De Hoge Raad concludeerde dat de Wet politiegegevens voldoende grondslag biedt voor het gebruik van ANPR-gegevens in strafrechtelijk onderzoek en dat het hof terecht geen onherstelbaar vormverzuim aannam. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het verwerken van ANPR-gegevens binnen zeven dagen rechtmatig was en geen onherstelbaar vormverzuim opleverde.