Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, geen redenen heeft gezien af te wijken van de door de rechtbank gebruikte methode van kasopstelling.
globaalheeft berekend op welk bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel zou kunnen worden geschat. Het hof heeft ten slotte – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de kasopstelling kan worden gebaseerd op uit de bewijsmiddelen voortvloeiende en als aannemelijk aan te merken gegevens, waarop ook het financieel proces-verbaal is gebaseerd.
derde middelbehelst de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof ter onderbouwing en motivering van het uit de kasopstelling voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel een ondeugdelijke transactieberekening heeft gehanteerd.
vierde middelbevat de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien de motivering van het hof op een niet ondergeschikt punt innerlijk tegenstrijdig is. Uit de toelichting blijkt dat het middel doelt op het oordeel van het hof dat een bedrag van € 8.500,-- dat [getuige 10], de partner van de betrokkene, zou hebben ontvangen vanuit de verkoop van een Mercedes met kenteken [AA-00-BB], niet in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Mercedes met het kenteken [AA-00-BB] en
omdatsprake is van een ontvangst van de growshop. Dat staat er evenwel niet. De vraag is wel hoe de desbetreffende overweging van de rechtbank moet worden verstaan.