Conclusie
het eerste middel
het tweede, het derde en het vierde middel
het vijfde middel
I. Inleiding
Feit 1. De internationale criminele organisatie- onder 1A: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”; - onder 1B: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”; en
Feit 2. De nationale criminele organisatie- onder 2 “Het als leider en/of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.
geenbetrekking hebben maar waarover het hof wel beslissingen heeft genomen, daar die onderdelen niet los gemaakt kunnen worden van het grotere geheel. Daarbij wijs ik erop dat het hof het opportuun heeft geacht de in alle vijf zaken gevoerde verweren en gedane verzoeken, waar het niet de individuele rol van de verdachten betreft, gemeenschappelijk te bespreken. Het Openbaar Ministerie heeft namelijk in hoger beroep voor alle vijf verdachten een gelijkluidend requisitoir gehouden over de juridische context en de rechtsvragen, terwijl de raadslieden in hoger beroep tijdens de pleidooien en het nemen van dupliek (met toestemming van het hof) bij elkaar aansluiting hebben gezocht op de gevoerde verweren. Het in elke afzonderlijke zaak (en dan ook nog op verschillende wijzen) versnipperen van het totale feitencomplex tot slechts die (onder)delen waartegen de ingediende middelen zich specifiek richten, zou denk ik ten koste gaan van een helder overzicht van en inzicht in (de problematiek van) de zaak en de leesbaarheid van mijn conclusies. In de samenhangende zaken heb ik er om die reden voor gekozen de middelen die namens de medeverdachten zijn voorgesteld op onderdelen gezamenlijk te bespreken. Wat de onderhavige zaak betreft, ligt dat anders omdat namens de verdachte geen schriftuur met middelen is ingediend.
internationalecriminele organisatie” tenlastegelegde feiten aldus uitgelegd dat het oogmerk in onderdeel 1A betrekking heeft op het plegen van terroristische misdrijven en het oogmerk in onderdeel 1B op het plegen van ‘gewone’ misdrijven. [5] Onder “2. De
nationalecriminele organisatie” gaat het naar het oordeel van het hof enkel om het oogmerk op het plegen van ‘gewone’ misdrijven. De feiten waarop het oogmerk van de internationale criminele organisatie onderscheidenlijk de nationale criminele organisatie was gericht – althans gericht zou zijn geweest – zijn in de tenlastelegging onder 1A, 1B en 2 telkens door middel van letters van elkaar onderscheiden maar verder in vrij algemene bewoordingen tot uitdrukking gebracht. Wel kunnen ze nader worden ingevuld aan de hand van de gebeurtenissen zoals deze op de terechtzittingen van het hof en in diens arrest zijn besproken. Ik zal daarom in het hiernavolgende niet de tenlastelegging wat betreft de feiten 1A, 1B en 2 integraal aanhalen, maar de daarin besloten liggende beschuldigingen ten aanzien van de verdachte in eigen bewoordingen en geconcretiseerd naar die gebeurtenissen weergeven, waarbij ik uiteraard wel de lijn van de tenlastelegging volg.
Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.” (Heldendag Amsterdam)
het eerste middel
2. De nationale criminele organisatie
[…]
f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek Pro van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of
g) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek Pro van Strafrecht) [zaaksdossier B06]”
nietbewezen geacht, en daaromtrent het volgende overwogen [25] :
11.3.3.3. Dwang (Feit 2 sub f)
no pay” of “
negative”.
nietals zelfstandige delicten zijn tenlastegelegd. [26] Tenlastegelegd is hier de deelneming aan een (nationale) criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro [27] , die onder meer tot oogmerk heeft het plegen van dwang (sub f) en afpersing (sub g). Zouden dwang en afpersing, een delict dat als een bijzondere en ernstigere vorm van dwang wordt getypeerd, wel beide afzonderlijk zijn tenlastegelegd, dan zou het verschil in delictsomschrijving en strafbedreiging strafrechtelijk relevant zijn, zowel voor de bewezenverklaring en de kwalificatie, als voor de strafoplegging. Maar deze relevantie is gelet op het onder 2 tenlastegelegde niet aan de orde, nu het er voor de kwalificatie en de strafbedreiging er niet zoveel toe doet of het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht op dwang en/of afpersing.
2. De nationale criminele organisatie
12. Beoordeling feiten 5 en 6
11.3.3. Beoordeling met betrekking tot feit 2
“Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen”te horen.
"Er is geen andere weg om te strijden”voorkomt.
"Wij zullen zeker winnen/Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grote bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden/Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.”
derde middelbevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de vrijspraken van de onder 5 en 6 tenlastegelegde opruiingsdelicten. Het
vierde middelsteunt (grotendeels) op dezelfde gronden als het derde middel, maar richt zijn pijlen op de deelvrijspraken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde opruiingsfeiten. In de toelichting op het vierde middel wordt in belangrijke mate verwezen naar de toelichting op het derde middel.
iskomen vast te staan. In de onderhavige zaak heeft het hof juist feitelijk vastgesteld dat hetgeen ten laste is gelegd,
nietkan worden aangemerkt als opruiing. De internationale verplichtingen om opruiing als
delictstrafbaar te stellen en
dadersvan dit feit te bestraffen, impliceren uiteraard niet dat een ieder die van opruiing wordt
verdachtook strafbaar is en veroordeeld moet worden. Aan de feitelijke vaststelling van het hof dat ten aanzien van de verdachte (en de medeverdachten) van opruiing geen sprake is, doen de door de stellers van de middelen genoemde internationale verplichtingen (vanzelfsprekend) niet af.
Kamerstukken II2002/03, 27 925, 94, p. 7. Dit Kamerstuknummer betreft een brief van de toenmalige minister Donner van Justitie van 24 juni 2003 waarbij deze de notitie “Terrorisme en de bescherming van de samenleving” inbracht. De stellers van de middelen doelen in het bijzonder op de volgende passage daaruit:
zou zijn aangetast, omdat voor een beroep op art. 17 EVRM Pro afdoende zou zijn dat die uitingen zijn gedaan
met als doelde rechten of enig in het EVRM gegarandeerd recht aan te tasten. Daarop volgt nog: “Het gaat dus wel degelijk om activiteiten die tot doel hebben verdragsrechten teniet te doen, niet alleen om activiteiten die zelf, concreet en daadwerkelijk, verdragsrechten teniet doen.”
het vijfde middel
De verdachte heeft zich in Nederland met name met allerlei organisatorische zaken bezig gehouden die mede het oog hadden op de inzameling van fondsen voor hulp aan de Tamilbevolking, en dus niet alleen voor de gewapende strijd, en zich van door hem zelf gebruikt geweld onthouden. De verdachte onderhield daarover ook contacten met zusterorganisaties in andere Europese landen.
Aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur kan evenwel, gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte daarbij, niet worden ontkomen. Niet alleen voor de verdachte, ook voor anderen, in Nederland en waar ook, moet immers duidelijk zijn dat de strafrechtelijke normen niet uit ideologische motieven terzijde mogen worden gesteld.
gesteld(niet: opgelegd, AG) en anderzijds een tweetal resoluties die betrekking hebben op de straf die ter zake van terroristische misdrijven zou moeten worden opgelegd.
gesteld, wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op (onder meer) de volgende internationale verplichtingen:
Art. 11, eerste lid, Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme:“Each Party shall adopt such measures as may be necessary to make the offences set forth in Articles 5 to 7 and 9 of this Convention punishable by effective, proportionate and dissuasive penalties.” [41]
opgelegd. Deze bronnen zijn:
Par. 2 aanhef en onder e van Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001:
Par. 3 van Resolutie 1566 (2004) van de Veiligheidsraad van de VN van 8 oktober 2004:
gesteld; er wordt achtereenvolgens gesproken van “make those offences punishable”, “punishable by” en “vrijheidsstraffen te stellen”. Het gaat hier om verplichtingen waaraan de Nederlandse staat gehoor dient te geven en die nader in wetgeving dient te worden verwerkt. In cassatie wordt – en terecht – niet aangevoerd dat de straffen die in de Nederlandse wetgeving op terroristische misdrijven zijn gesteld, niet aan de daarvoor geldende internationale eisen voldoen.