Conclusie
1.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste subklachtbehelst dat de rechtbank haar in vaste rechtspraak van Uw Raad [8] aangewezen taak om als onteigeningsrechter zelfstandig onderzoek te doen naar de aan de onteigende toekomende schadevergoeding zonder te zijn gebonden aan het deskundigenadvies heeft miskend, nu zij haar oordeel kennelijk (mede) heeft laten afhangen van de mate waarin [eiser] het deskundigenadvies heeft bestreden en zich aldus lijdelijk heeft opgesteld.
tweede subklachtbestempelt het oordeel van de rechtbank als onjuist, voor zover zij heeft miskend dat de omstandigheid dat een bestemmingsplan gefaseerd en door middel van (gedeeltelijke) uitwerkingsplannen wordt uitgevoerd een indicatie kan zijn dat geen sprake is van een complex. Ik versta de klacht aldus dat die (1) de opvatting huldigt dat de gefaseerde en door middel van (gedeeltelijke) uitwerkingsplannen gerealiseerde uitvoering van een bestemmingsplan een aanwijzing ervoor kan opleveren dat de gezamenlijke gronden die in het gebied van dat bestemmingsplan liggen geen zaken zijn die als één geheel in exploitatie worden gebracht in de zin van art. 40d lid 2 Ow, en (2) de rechtbank (kort gezegd) verwijt deze opvatting te hebben miskend.
als afzonderlijke bestemmingsplannen hebben te gelden die als aparte complexen zullen moeten worden beschouwdals ‘in zijn algemeenheid niet juist’ verworpen, maar dat radicale standpunt behelst iets anders dan de in de klacht gehuldigde meer genuanceerde opvatting.
derde subklachtonder A is een motiveringsklacht. De klacht wijst op een aantal argumenten die [eiser] heeft aangevoerd ten betoge dat het winkelcentrum Terwijde wordt gerealiseerd als een afzonderlijk complex, en verwijt de rechtbank die argumenten onvoldoende te hebben betrokken bij haar oordeelsvorming, terwijl de gestelde omstandigheden wel degelijk erop wijzen dat geen sprake is van een functionele en/of financiële samenhang tussen het uitwerkingsplan ‘Terwijde Winkelcentrum’ en andere ontwikkelingen binnen Leidsche Rijn. Dat maakt volgens de klacht het oordeel van de rechtbank dat het onteigende moet worden beschouwd als deel van het Leidsche Rijn-complex, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
eerste subklachtbetoogt, kort gezegd, dat een veroordeling van de onteigende tot betaling van rente in een geval (als het onderhavige) waarin de schadeloosstelling uitsluitend bestaat uit een vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende de volledige vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende aantast en daarom achterwege moet blijven.
voor verrekening vatbaar voordeelis. Uw Raad beantwoordde die vraag bevestigend, en wel in de navolgende bewoordingen:
met dien verstande dat de voordelen niet in mindering mogen komen op de vergoeding wegens het verlies van de werkelijke waarde van het onteigende” maken duidelijk dat Uw Raad oordeelde dat ook voor dit voordeel geldt, dat het niet gekort mag worden op de vergoeding wegens het verlies van de werkelijke waarde. Aldus ook Mörzer Bruins in zijn noot in de NJ onder het arrest. De voor List vastgestelde schadeloosstelling bevatte echter, zoals mr. De Groot in zijn schriftelijke toelichting (nr. 2.24) benadrukt, naast de vergoeding van de werkelijke waarde ook een vergoeding wegens inkomensschade, zodat bij die onteigening wel degelijk plaats was voor verrekening van het voordeel wegens genot van het te hoge voorschot.
heroverweging verdient. De wetgever van 1972 [28] heeft de mogelijkheid van een te hoog voorschot voorzien, en in art. 54t lid 3 Ow voorgeschreven dat de rechter degene die als voorschot meer heeft ontvangen dan hem als schadeloosstelling toekomt zal veroordelen tot terugbetaling. Zoals Uw Raad in de zaak List/Staat overwoog maakt art. 54t lid 3 Ow slechts melding van een verplichting tot terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag zelf. Het oordeel van Uw Raad in het arrest inzake List/Staat dat het genot van het teveel ontvangen voorschotbedrag een voor verrekening vatbaar voordeel vormt, is conform de voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal Moltmaker die (nr. 4.3 van de conclusie) de rechtspraak memoreerde over vervroegde onteigeningen waarbij het voorschot
lagerwas dan de schadeloosstelling en waarin Uw Raad onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis oordeelde dat de onteigenende partij rente verschuldigd is over het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot overtreft. Vanuit het principe, dat de werkelijke schade moet worden vergoed, lijkt, aldus mr. Moltmaker, “een rentevergoeding ( … ) ook in dit geval even vanzelfsprekend als blijkens de eerder bedoelde wetsgeschiedenis en bovenvermelde jurisprudentie in het geval dat de schadeloosstelling het voorschot overtreft.”
tweede subklachtlanceert een rechts- en een motiveringsklacht tegen het automatisme waarmee de rechtbank het te verrekenen voordeel dat [eiser] heeft genoten in verband met het te hoge voorschot waardeert op de wettelijke rente van het verschil tussen voorschot en schadeloosstelling. Ook deze klacht vindt steun in het arrest List/Staat. Uw Raad overwoog daarin niet alleen dat het voordeel van het genot van een te hoog voorschot voor verrekening in aanmerking komt, maar gaf ook een aanwijzing voor de bepaling van dat voordeel: