Conclusie
aannemelijk makenvan een ontslaggrond. Daarbij is mede van belang of er nog betekenis toekomt aan het voorheen geldende Ontslagbesluit en de daarop gebaseerde UWV-beleidsregels, en wat bedoeld wordt met de
ruimtedie de werkgever volgens de wetsgeschiedenis heeft bij de beslissing om een werknemer te ontslaan. Daarnaast wordt de vraag opgeworpen of de in art. 7:671b lid 8 sub a BW voorgeschreven opzegtermijn van tenminste een maand ook in acht moet worden genomen wanneer de appelrechter op de voet van art. 7:683 lid 5 BW Pro bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Ten slotte ligt voor of het hof het bewijsaanbod van [verzoeker] mocht passeren.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen”. Bij de beoordeling van de vraag of aan deze maatstaf was voldaan, kwam de rechter een grote mate van vrijheid toe. Bovendien had de rechter de mogelijkheid om de werknemer aan de hand van de ‘kantonrechtersformule’ een vergoeding toe te kennen, waarbij de mate van verwijtbaarheid van een of beide partijen werd verdisconteerd in de ‘C-factor’. [3] In de praktijk fungeerde deze ontslagvergoeding als een ‘smeermiddel’ om onvoldoende onderbouwde ontslagverzoeken toe te wijzen. [4]
een zelfstandig oordeeldiende te vormen over het ontslag. Geoordeeld werd dat de rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet gebonden is aan hetgeen in het kader van de UWV-procedure was onderzocht en beslist, ongeacht of de bij de rechter aangevoerde argumenten al eerder ter sprake waren gebracht bij de behandeling van het verzoek door het UWV. [9] De rechter is ook niet gebonden aan feiten waarvan het UWV is uitgegaan, noch van de waardering die aan die feiten is gegeven. [10] Kortom, de rechter voerde níet een (bestuursrechtelijke) toets uit van het besluit van het UWV. [11] Indien de rechter tot andere bevindingen over de ontslaggrond kwam dan het UWV, kon de rechter een schadevergoeding toekennen (art. 7:681 lid 1 BW Pro (oud)). Deze vergoeding diende op een andere wijze te worden berekend dan de ontslagvergoeding in een ontbindingsprocedure, waardoor geen toepassing diende te worden gegeven aan de kantonrechtersformule. [12] Daarnaast kon de rechter de werkgever veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst, zij het dat daaraan een afkoopsom kon worden verbonden (art. 7:682 lid 1 en Pro lid 3 BW (oud)).
aannemelijk makenvan hun stellingen. Op deze rechtspraak is in de literatuur veel kritiek uitgeoefend. [16] De kern van de kritiek is dat een voor de werknemer zeer ingrijpende beslissing wordt genomen, zonder dat daaraan een behoorlijk rechterlijk feitenonderzoek ten grondslag ligt. [17] Dit was temeer problematisch omdat geen hoger beroep openstond tegen de ontbindingsbeslissing.
aannemelijk dient te maken(sub a), en
aannemelijk dient te zijndat het disfunctioneren van de werknemer niet is toe te schrijven aan onvoldoende zorg (sub d). Zie over de aannemelijkheidsmaatstaf ook de Toelichting bij art. 3:1 en Pro art. 5:1 van Pro het Ontslagbesluit: [18]
voorheengold dat de door het UWV gehanteerde criteria ‘reflexwerking’ hadden in de rechterlijke ontbindingsprocedure (maar de rechter ook toen niet verplicht was tot toepassing van die criteria), maar dat die ‘reflexwerking’ onder de Wwz niet meer aan de orde is omdat de toetsingscriteria thans in de wet zijn opgenomen.
(...)
Dat is bijvoorbeeld het geval als een werknemer van de ene op de andere dag te horen krijgt dat hij zal worden ontslagen wegens onvoldoende functioneren terwijl hij daar nooit eerder op is aangesproken of de werkgever zich niet in voldoende mate heeft ingespannen om hierin verbetering aan te brengen. Als het onvoldoende functioneren duidelijk het gevolg is van onvoldoende aandacht voor scholing, is dit de werkgever ook aan te rekenen en zal er evenmin sprake zijn van een redelijke grond voor ontslag. Verder zal ook hier gelden dat een werkgever aannemelijk moet maken dat er (binnen een redelijke termijn) geen mogelijkheden zijn tot herplaatsing in een andere passende functie, al dan niet met behulp van scholing. Als het gedrag van een werknemer aanleiding vormt voor ontslag, moet het een werknemer van tevoren duidelijk zijn geweest wat wel of niet door de werkgever als toelaatbaar wordt gezien (behoudens uiteraard evidente zaken als diefstal e.d.). Bovendien moeten eisen die aan een werknemer worden gesteld gangbaar en niet buitensporig zijn. Van buitensporige eisen is bijvoorbeeld sprake als van een werknemer wordt verlangd te handelen (of na te laten) in strijd met wet- of regelgeving.”
aannemelijkzijn (vergelijk onder 3.7). Besproken is reeds dat onder de Wwz aan het Ontslagbesluit en de Beleidsregels Ontslagtaak UWV geen betekenis meer toekomt (zie onder 3.12). Dat betekent dat hetgeen in Ontslagbesluit en Beleidsregels Ontslagtaak UWV is opgemerkt over ‘aannemelijk maken’ en het niet op tafel hoeven komen van ‘harde bewijzen’ bij een ontslag op de d-grond – wat daar ook van zij vanuit bewijsrechtelijk oogpunt (daarop zal hierna nog nader worden ingegaan) – onder de Wwz geen relevantie meer heeft. Voor zover in rechterlijke uitspraken wordt aangenomen dat die relevantie er wél is, berusten deze naar mijn mening op een onjuist uitgangspunt. [47]
Mediant-beschikking beslist dat in een ontbindingsprocedure de wettelijke bewijsregels van toepassing zijn: [48]
aannemelijkzijn, maar dat feiten moeten zijn
bewezen. Dit volgt uit art. 149 lid Pro 1, eerste volzin, Rv, waarin staat dat de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen (...) die overeenkomstig de voorschriften van afdeling I.2.9 Rv (bewijs) zijn komen vast te staan. Het ‘komen vast te staan overeenkomstig de voorschriften van afdeling I.2.9’ houdt enerzijds in dat betwiste feiten moeten worden
bewezen, en anderzijds dat de rechter niet-betwiste feiten (op grond van art. 149 lid Pro 2, tweede volzin, Rv) als vaststaand moet beschouwen. [49]
deze artikelen behoren te gelden voor iedere procedure van welke aard dan ook”. [50] Om deze reden was aanvankelijk beoogd in art. 182 Rv Pro (oud) op te nemen dat het wettelijke bewijsrecht niet alleen voor verzoekschriftprocedures maar ook voor kort geding procedures geldt, voor zover de aard van de procedure zich daartegen niet verzet. [51] Het niet van toepassing zijn van het wettelijke bewijsrecht, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, ziet in feite vooral op bepalingen die de rechter zouden ‘belemmeren’ (kennelijk: bij een snelle afdoening van de zaak), waarbij specifiek genoemd is art. 166 Rv Pro, dat het recht op getuigenbewijs inhoudt. [52] Ditzelfde geldt voor andere bewijsverrichtingen, zoals het inschakelen van een deskundige of een gerechtelijke plaatsopneming.
de overtuiging moet hebben bekomen(art. 338 WvSv Pro). Algemeen wordt aangenomen dat het voor de civiele rechter voldoende is om een
redelijke mate van zekerheidte hebben dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. [53] In lijn hiermee wordt in rechterlijke uitspraken vaak overwogen dat bepaalde feiten wel of niet ‘in
voldoende matezijn komen vast te staan’.
lijktte duiden op een verschil in de mate van zekerheid over het bestaan van dat feit. De rechter zou minder zekerheid –
overtuiging, zoals het in de parlementaire geschiedenis is aangeduid – hebben over een ‘aannemelijk feit’ dan over een feit ‘dat in voldoende mate vaststaat’. Of er inderdaad sprake is van zo'n verschil in de mate van zekerheid, is echter niet zo duidelijk. We weten namelijk niet wat deze gradaties van zekerheid nu precies behelzen of waaraan zij zouden refereren. Het in meer of mindere mate vaststaan van een feit zegt in het civiele recht in ieder geval niet iets over de
kansdat het feit zich heeft voorgedaan. [54] Er bestaan ook geen ‘zekerheidsmeters’ die de rechter houvast zouden kunnen geven bij de beoordeling van de vraag of een feit aannemelijk is dan wel in voldoende mate vaststaat. Daarbij komt dat art. 152 Rv Pro de waardering van het bewijs in beginsel aan het oordeel van de rechter overlaat, zonder nadere kaders te geven over de wijze waarop die waardering moet plaatsvinden of minimumeisen te stellen die hierbij in acht zouden moeten worden genomen. Er zijn dan ook geen ‘criteria’ waaraan kan worden getoetst bij de beantwoording van de vraag of een feit in civielrechtelijke zin bewezen is, dan wel dat over dat feit in voldoende mate zekerheid bestaat. Al met al is een bewijsoordeel in de civiele procedure vooral een kwestie van het afwegen van de (al dan niet onderbouwde) argumenten die vóór of tégen een bepaald feit zijn aangevoerd. Dat betekent dat zowel het oordeel dat een feit aannemelijk is, als het oordeel dat een feit in voldoende mate vaststaat, uiteindelijk berust op de rechterlijke waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat door partijen over en weer zijn aangevoerd.
aannemelijkis, moet tegen deze achtergrond worden begrepen. Zo'n oordeel zal namelijk worden gegeven in situaties waarin de rechter uitspraak doet op de door partijen aangereikte informatie (zoals naar voren komend uit de processtukken, de bijgevoegde bewijsmiddelen en de mondelinge behandeling), en geen nadere bewijslevering toestaat. Het horen van getuigen, het inschakelen van een deskundige of het in het geding brengen van nadere schriftelijke stukken is dan niet aan de orde. Dit doet zich voor in kort geding procedures [55] en, zoals hiervoor is besproken, in ontbindingsprocedures onder het oude arbeidsrecht (zie onder 3.6). Vanuit de gedachte dat in deze procedures zo spoedig mogelijk moeten worden beslist, wordt aangenomen dat zij zich niet lenen voor (nadere) bewijslevering. Hiermee kan het ‘aannemelijk zijn’ van feiten beter worden begrepen als uitdrukking gevend aan het ontbreken van de mogelijkheid voor partijen om
naderbewijs te leveren over gestelde feiten – met name geen tijdrovende getuigenverhoren –, dan dat daarmee een geringere mate van zekerheid over het bestaan van die feiten wordt bedoeld. [56] Vergelijk in deze zin ook Asser: [57]
aannemelijkwordt gemaakt dat de diefstal heeft plaatsgevonden [58] en dat aan het bewijs van verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid
geen strenge eisenmogen worden gesteld. [59] Uit deze voorbeelden blijkt al dat er verschillende redenen kunnen zijn waarom een bepaald feit moeilijk te bewijzen is. Zo kan sprake zijn van feiten die zich in een ver verleden hebben afgespeeld, van feiten die hypothetisch van aard zijn en eigenlijk een toekomstverwachting behelzen, van feiten die slechts uit andere feiten kunnen worden afgeleid of van feiten die een louter subjectief karakter hebben. Ook kan sprake zijn van feiten die sterk verweven zijn met interpretatieve oordelen. Het feit heeft dan meer het karakter dan een conclusie of een gevolgtrekking. Dit is de reden dat bewijsopdrachten in rechterlijke uitspraken vaak inhouden dat ‘bewijs wordt opgedragen van feiten of omstandigheden
waaruit volgt dat ...(waarna het ‘feit’ wordt omschreven waarvan bewijs moet worden geleverd).’ Met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat het te bewijzen ‘feit’ een gevolgtrekking behelst, die bewezen kan worden door feiten of omstandigheden te bewijzen waaruit het feit
kanworden afgeleid. Doordat het te bewijzen ‘feit’ een gevolgtrekking is, is onontkoombaar dat daarover altijd discussie en onzekerheid kan blijven bestaan. Het is immers niet uitgesloten dat uit de bewezen feiten en omstandigheden ook iets
anderskan worden afgeleid. Het maximaal haalbare is in zo’n geval dat feiten en omstandigheden worden bewezen, waaruit redelijkerwijs de gevolgtrekking te maken is dat het te bewijzen ‘feit’ zich heeft voorgedaan. Of die gevolgtrekking inderdaad redelijk is, hangt in belangrijke mate af van de vraag of uit de feiten en omstandigheden evengoed een ándere gevolgtrekking kan worden gemaakt, of dat dat niet het geval is. Als evengoed een ándere gevolgtrekking kan worden gemaakt, zal moeten worden geoordeeld dat het bewijs niet is geleverd. [60] Ook hier komt het dus uiteindelijk aan op een waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat over en weer zijn aangevoerd.
bewezenzijn, dit niet betekent dat die feiten
zekermoeten zijn of boven alle discussie verheven. Sommige feiten zijn naar hun aard sterk verweven met oordelen of interpretaties en kunnen slechts worden bewezen door aannemelijk te maken dat zij redelijkerwijs zijn af te leiden uit andere, meer ‘harde’ feiten.
enige ruimtemoet hebben bij een beslissing over het ontslag van een werknemer (zie onder 3.17), kunnen tegen deze achtergrond worden begrepen. Uit die passages volgt níet dat het bewijsrecht niet van toepassing zou zijn in ontbindingsprocedures (door de Hoge Raad is inmiddels beslist dat dat wel het geval is). Er moet ook níet uit worden afgeleid dat de lichtere ‘aannemelijkheidtoets’ geldt, zoals bijvoorbeeld in kort geding, omdat partijen geen gelegenheid krijgen voor nadere bewijslevering. Bedoeld zal zijn dat het bewijs van de vraag of sprake is van – in het onderhavige geval – ongeschiktheid van de werknemer, altijd in enige mate zal zijn verweven met aspecten van beoordelende en interpretatieve aard. Dit betekent niet dat de rechter ‘marginaal’ toetst of sprake is van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid. [62] Het betekent wel dat voor het bewijs van ongeschiktheid voldoende is dat feiten en omstandigheden komen vast te staan waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat sprake is van ongeschiktheid. Of die gevolgtrekking inderdaad kan worden gemaakt, hangt af van hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd en moet dus beoordeeld worden in het licht van het processuele debat. Wanneer uit de gebleken feiten en omstandigheden redelijkerwijs evengoed kan worden afgeleid dat géén sprake is van ongeschiktheid, is de ongeschiktheid niet bewezen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2wordt betoogd dat, zover het hof er vanuit gaat dat het Ontslagbesluit zijn gelding onder de Wwz heeft behouden, het is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
aannemelijkzijn van de ontslaggrond maar op het
bewezenzijn daarvan, volgt ook uit de
Mediant-beschikking, waarin is geoordeeld dat het wettelijke bewijsrecht van toepassing is op de ontbindingsprocedure (zie onder 3.21). In het onderhavige geval betekent dit dat de aangevoerde ontslaggrond, ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer, door de werkgever zal moeten worden bewezen. Voor zover het hof van een ander standpunt is uitgegaan, is dat onjuist.
dat de werkgever een eigen beoordelingsvrijheid [heeft], die echter wel de toets der kritiek moet kunnen doorstaan voor wat betreft de redelijkheid daarvan”, is die overweging niet onjuist. Indien bedoeld zou zijn dat de rechter een soort marginale toets uitvoert ten aanzien van de vraag of sprake is van ongeschiktheid, getuigt dat echter wel van een onjuiste rechtsopvatting. De rechter heeft een eigen, zelfstandige taak bij de beoordeling van de steekhoudendheid van de aangevoerde ontslaggrond.
tweede cassatieklachtheeft betrekking op rov. 3.9 van de beschikking van het hof. Het hof overweegt hier het volgende:
werknemer, waarbij lid 2 sub b, vergelijkbaar met lid 8 sub c van art. 7:671b BW, inhoudt dat de werkgever een billijke vergoeding kan worden toegekend bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
‘van overeenkomstige toepassing’,maar doet dit slechts
‘ten aanzien van de toekenning van een vergoeding’. Aannemelijk is dat hiermee in de
eerste plaatsgedoeld wordt op de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 8 sub c BW (en eveneens art. 7:671c lid 2 sub b BW), waarop aanspraak bestaat indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever (of de werknemer). De toevoeging in de onder 4.12 aangehaalde passage uit de memorie van toelichting van “(additioneel)”, duidt hier ook op; in de wetsgeschiedenis pleegt de billijke vergoeding als een ‘additionele vergoeding’ te worden aangeduid (namelijk aanvullend ten opzichte van de transitievergoeding). [75] Ook art. 7:671b lid 9 sub b en sub c BW (en eveneens idem art. 7:671c lid 3 sub b en sub c BW) geeft de mogelijkheid voor toekenning van een billijke vergoeding, namelijk bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd. Daarnaast zal in de
tweede plaatszijn gedoeld op de vergoeding van art.7:671b lid 9 sub a (en art. 7:671c lid 3 sub a BW). Deze laatste vergoeding is – bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – een vergoeding tot (in beginsel) ten hoogste het bedrag aan loon over het restant van de looptijd van het contract. [76]
hoe dan ookeen opzegtermijn in acht zou moeten nemen overeenkomstig het bepaalde in lid 8 van art. 671b BW. In dat geval zou de arbeidsovereenkomst immers altijd tegen een toekomstig tijdstip eindigen.
lid 6, dat geen vernietiging plaatsvindt van de beschikking waarin de opzegging is vernietigd of waarin ten onrechte is veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst). In plaats daarvan heeft de appelrechter enige vrijheid om te bepalen tegen welk tijdstip hij de arbeidsovereenkomst beëindigt, waarbij de enige begrenzing is dat dit niet met terugwerkende kracht geschiedt. Met dit systeem is de werknemer al een extra periode gegeven waarin zijn arbeidsovereenkomst doorloopt.
[dat het erop neerkomt] dat het hof de opzegtermijn alsnog in acht zal moeten nemen, maar daar de periode van de ontbindingsprocedure vanaf mag trekken, met dien verstande dat ten minste een maand resteert.” Dit standpunt is echter verder niet toegelicht. [79]
derde cassatieklachtheeft betrekking op het passeren van het bewijsaanbod. Geklaagd wordt dat het hof het bewijsaanbod van [verzoeker] ten onrechte onbesproken heeft gelaten. Daarmee heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting – als het er vanuit is gegaan dat Decor haar stellingen slechts aannemelijk hoefde te maken en niet hoefde te bewijzen – dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Daarbij wordt aangevoerd wordt dat sprake was van tegenbewijs, zodat het bewijsaanbod niet hoefde te worden gespecificeerd.
- a) de arbeidsomstandigheden bij Decor;
- b) de onrealistische eisen die de leiding van Decor aan haar medewerkers stelt;
- c) het gebrek aan tolerantie van de leiding voor kritiek.
ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid’, een ‘feit’ is dat sterk verweven is met een appreciatie van de feiten. Bewijs van ongeschiktheid dient dan ook plaats te vinden door het bewijzen van onderliggende feiten en omstandigheden, waaruit redelijkerwijs is af te leiden sprake is van ongeschiktheid van de werknemer (zie onder 3.29 en 3.30). Dit betekent dat moeilijk kan worden aangenomen dat een werknemer reeds tot het leveren van tegenbewijs door het horen van getuigen zou moeten worden toegelaten, indien hij betwist dat sprake is van ‘ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid’. Op zijn minst zal duidelijk moeten zijn
welkeonderliggende feiten en omstandigheden precies worden betwist. Bovendien zal de betwisting van die onderliggende feiten en omstandigheden voldoende gemotiveerd moeten zijn en moet duidelijk zijn dat bewijslevering ten aanzien van de betreffende feiten
kanleiden tot een ander oordeel. In deze zaak – waarin een grote hoeveelheid schriftelijk bewijs is bijgebracht en partijen uitvoerig hebben gedebatteerd – zie ik geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [verzoeker] ten onrechte is afgehouden van bewijslevering van bepaalde, onderliggende feiten en omstandigheden, die het hof tot een ander oordeel hadden kunnen leiden. Hierbij is nog aan te tekenen dat [verzoeker] geen motiveringsklachten heeft gericht tegen de uitvoerige overwegingen van het hof in rov. 3.8.1-3.8.5.
nietgelegen is in de omstandigheid dat het hof mogelijk heeft aangenomen dat de door Decor aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde ontslaggrond niet bewezen behoefde te worden. Zoals onder 4.3 en 4.4 is besproken, is die opvatting onjuist.