Op 17 maart 2015 vond een inbraak plaats bij een tandprothetische praktijk in Weesp waarbij een laptop werd weggenomen. Kort daarna werd een auto met daarin verdachte en drie anderen gezien op korte afstand van de inbraaklocatie. De bestuurder probeerde de politie af te schudden en passagiers gooiden inbrekerswerktuigen uit het raam. In de auto werd de weggenomen laptop aangetroffen.
Het hof oordeelde dat verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hadden samengewerkt dat sprake was van medeplegen van de bewezenverklaarde inbraak. Verdachte gaf geen aannemelijke verklaring voor het bezit van de laptop. De Hoge Raad herhaalde relevante jurisprudentie over de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en de betekenis van de procesopstelling van verdachte.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof voldoende en overtuigend had gemotiveerd dat sprake was van medeplegen. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf gehandhaafd.