Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
wederzijdsprofiteren, maar dat is – zoals de onderhavige zaak laat zien – niet noodzakelijk.
benadelingeen gegeven is. Het hof heeft in rov. 3.4 overwogen dat zonder het overwaarde-arrangement de gehele overwaarde van de zekerheidsrechten van de bank ten goede zou komen aan de gezamenlijke schuldeisers, terwijl het overwaarde-arrangement ertoe leidt dat de overwaarde (tot een bedrag van € 500.000,--) alleen ten goede komt aan Drieakker. Het oordeel van het hof dat daarom sprake is van benadeling van de schuldeisers, is in cassatie niet bestreden. In cassatie spitst de zaak zich toe op de vraag of sprake is van
wetenschapvan benadeling.
onafwendbaarwas, een onjuiste maatstaf voor wetenschap van benadeling heeft gehanteerd.
voorafafvragen of een bepaalde handeling de pauliana-toets kan doorstaan (bijvoorbeeld in het kader van een reddingsoperatie) als voor de curator en de rechter die de desbetreffende handeling
achteraf(na de faillietverklaring) moeten beoordelen. De te maken afweging is complex. Aan de ene kant zijn er de belangen van de onderneming in zwaar weer en de kredietverleners. Zij staan voor de moeilijke taak het toekomstperspectief van de onderneming te beoordelen. Er moet rekening worden gehouden met diverse onzekerheden en vaak moet onder tijdsdruk worden beslist. Aan de andere kant zijn er de belangen van de schuldeisers. Ook met hun belangen dient zorgvuldig te worden omgegaan. Bepaalde transacties kunnen immers voor hen tot gevolg hebben dat in faillissement een (nog) kleiner deel van hun vordering inbaar is.
gesecureerde aandeelhoudersleningen. R.J. de Weijs heeft in zijn recente oratie aandacht gevraagd voor de negatieve gevolgen van dit verschijnsel voor de positie van de schuldeisers. [7] Ondernemingen die met relatief veel vreemd vermogen zijn gefinancierd zijn kwetsbaarder voor insolventie. Bovendien kan de aandeelhouder op deze manier in feite risicoloos en tegen een gegarandeerd rendement (de rente) investeren, hetgeen op gespannen voet staat met de grondslagen van ons ondernemingsrecht. Ook verstoort deze wijze van financieren de investeringsbeslissing. Iemand die aan een investering wel kan verdienen maar niet kan verliezen, is geneigd de kans van slagen positief in te schatten (een loterij zonder nieten). Dit probleem speelt, aldus De Weijs, in het bijzonder bij het financieren van reddingsoperaties. De Weijs:
van wetenschap van benadeling in vorenbedoelde zin sprake is indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte. (…)” (curs. A-G)
welke maatstaf evenzeer geldt bij kredietverschaffing tegen zekerheid aan noodlijdende ondernemingen.” (curs. A-G)
een bank die op verzoek van een in financiële problemen verkerende onderneming overweegt (aanvullend) krediet tegen zekerheid te verschaffen, de beschikbare financiële gegevens dient te analyseren met het oog op de vraag of een faillissement en een tekort daarin, en derhalve benadeling van de schuldeisers, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien. De hiertegen gerichte klacht faalt derhalve. (…)” (curs. A-G)
waarschijnlijkfailliet zou gaan, is er sprake van wetenschap van benadeling. Indien daarentegen kon worden voorzien dat de onderneming
waarschijnlijkniet failliet zou gaan maar er weer bovenop zou komen, is niet voldaan aan het vereiste van wetenschap van benadeling. Bij de genoemde beoordeling kunnen alleen feiten en omstandigheden een rol spelen die bekend waren of hadden kunnen zijn ten tijde van de handeling. Verder is van belang dat het gaat om een beoordeling naar objectieve maatstaven.
waarschijnlijkzijn dat de reddingspoging zal slagen. Deze benadering is dus (bezien vanuit het perspectief van de curator) te streng. Evenmin is juist dat aan het vereiste van wetenschap van benadeling al is voldaan als er sprake is van “een bepaald faillissementsrisico”. [16] Dat is juist te soepel.
dat een faillissement onafwendbaar was.” (Curs. A-G)
dat haar faillissement onafwendbaar was, althans dat dit op 29 juli 2010 bij [A]-groep en Drieakker bekend was of had behoren te zijn.” (Curs. A-G)
heeft voorzien, maar niet over de vraag of het faillissement, naar objectieve maatstaven, voor Drieakker
te voorzien was.
onjuistemaatstaf die het hof heeft gehanteerd voor wetenschap van benadeling (art. 42 Fw Pro). Dat betekent volgens onderdeel IIA dat, indien de klacht van onderdeel IA slaagt, ook rov. 3.12 niet in stand blijven.
op zichzelf.Die klacht heb ik in de dagvaarding niet kunnen lezen. (Hierin is slechts aangevoerd – voortbouwend op onderdeel IA – dat de maatstaf voor goede trouw niet gelijkgesteld kan worden met de
onjuistemaatstaf die het hof heeft gehanteerd voor wetenschap van benadeling.)
voor zoverhet in rov. 3.12 (in samenhang met de rechtsoverwegingen 3.8-3.10)
nietis uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent wetenschap van benadeling, het heeft miskend dat goede trouw bij de financiers niet pas ontbreekt als de [A]-groep en/of [betrokkene 1] wetenschap van benadeling hadden. Goede trouw bij de financiers kan ook ontbreken wanneer bij de [A]-groep en/of [betrokkene 1] geen wetenschap van benadeling aanwezig was.
weluitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent wetenschap van benadeling. Aan bespreking van onderdeel IIB hoef ik dus niet toe te komen.
weldan
nieteen voorbehoud volgt. Ik citeer uit het uitgewerkte interview het relevante gedeelte:
restklachten kan het arrest van het hof niet in stand kan blijven.