Uitspraak
M.E.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 mei 1980,
vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in cassatie,
vertegenwoordigd door Mr. H. Petten, mede advocaat bij de Hoge Raad;
Het standpunt van [eiseres] luidt, samenvattend en deels in door haar zelf gekozen bewoordingen: dat geen "spelletje" is gespeeld en dat in wezen niet meer en niet minder is gebeurd dan dat een poging om op ordentelijke wijze een zelfstandig en rendabel dochterbedrijf van de grond te krijgen, is mislukt.
De Rechtbank onderschrijft dit standpunt en daarop, op het ordentelijk met name, stuit de vordering af.
30 april 1966 ƒ 69.715,32 ƒ 249.217,29 ƒ 318.932,61
30 april 1967 ƒ 361.691,60 ƒ 563.931,14 ƒ 925.622,74
30 april 1968 ƒ 718.544,95 ƒ 619.738,88 ƒ 1.338.283,80
30 april 1969 ƒ 873.319,86 ƒ 737.821,06 ƒ 1.611.140,90
31 januari 1970 ƒ 676.131,84 ƒ 1.237.800,00 ƒ 1.913.931,80
30 april 1967 ƒ 730.000,--
30 april 1968 ƒ 980.000,--
30 april 1969 ƒ 1.220.000,--
31 januari 1970 ƒ 1.875.000,--
30 april 1967 ƒ 1 .675.000,--
30 april 1968 ƒ 2.510.000,--
30 april 1969 ƒ 2.690.000,--
31 januari 1970 ƒ 3.130.000,--
Zoals hierboven reeds bleek stond [eiseres] borg voor (een belangrijk gedeelte van) het bankcrediet van [A] . Dit geldt, behalve voor de periode van de Bank of America, ook voor de periode waarin de Algemene Bank Nederland optrad.
Het hierboven reeds genoemde extra crediet van [eiseres] aan [A] uit rekening-courant en later ook uit geldlening werd blijkens de jaarstukken renteloos verstrekt.
Volgens diezelfde jaarstukken werden directiesalarissen van [A] menigmaal rechtstreeks door [eiseres] betaald en via een rekening-courant ten laste van [A] gebracht - directeur en adjunct-directeur zijn vermoedelijk zelfs in dienst van [eiseres] geweest - terwijl voor machines en produktiemateriaal iets dergelijks gold (vergelijk in het bijzonder de jaarstukken betreffende het tweede boekjaar op bladzijde 5 en de jaarstukken betreffende het derde boekjaar op bladzijde 4).
In oktober 1968 heeft [eiseres] , tot zekerheid van het door haar verstrekte crediet, een groot aantal vermogensbestanddelen van [A] verworven. [A] heeft toen namelijk èn haar tegenwoordige en toekomstige vorderingen èn haar tegenwoordige en toekomstige bedrijfsvoorraden èn haar tegenwoordige en toekomstige inventarisgoederen, geheel algemeen en zonder uitzondering, aan [eiseres] tot zekerheid overgedragen en heeft toen bovendien nog een tweede hypotheek aan [eiseres] verleend, te weten een hypotheek van ƒ 150.000,-- op haar fabriekspand met grond, zijnde haar enige actief in onroerend goed. Sedert oktober 1968 is het ook zeer regelmatig gebeurd dat [eiseres] de voor [A] bestemde produktiemiddelen rechtstreeks kocht en in eigendom verwierf en tegen betaling aan [A] ten gebruike afstond. Fakturen van zulke produktiemiddelen, voor [A] bestemd, werden ook rechtstreeks aan [eiseres] gericht. Kort voor en zelfs op de dag van de faillietverklaring van [A] heeft haar directie een grote hoeveelheid ketelplaat, dieptrekplaten, pompen, ketels en ander gereed en halfgereed produkt, behorende tot haar bedrijfsvoorraad, vanuit het magazijn van [A] in [vestigingsplaats] naar een andere dochtermaatschappij in Duitsland respectievelijk naar derden doen overbrengen, welke andere dochtermaatschappij respectievelijk derden deze goederen voor [eiseres] zijn gaan houden.
Immers [eiseres] heeft in haar memorie van antwoord verzocht haar in eerste aanleg genomen conclusies met produktie als hier herhaald en ingelast te beschouwen, met overlegging van de notities van het namens [eiseres] in eerste aanleg gehouden pleidooi. Bovendien heeft [eiseres] in genoemde memorie alle stellingen van [verweerster] ontkend en voor de bespreking van de feiten verwezen naar de van haar afkomstige conclusies der eerste instantie. Uit een en ander volgt, dat 's Hofs hiervoor bedoelde beslissingen in rechtsoverwegingen (1) en (3) - mede gelet op de omstandigheid dat de Rechtbank [eiseres] in het gelijk had gesteld - is in strijd met het recht, althans met 's Hofs taak als appelrechter, althans onbegrijpelijk of niet naar de eis der wet met redenen omkleed, indien en voor zover [eiseres] in eerste aanleg de stellingen van [verweerster] heeft betwist of bestreden, gelijk hierna zal worden aangegeven.
Aldus heeft het Hof het recht geschonden of zijn motiveringsplicht verzaakt door niet te beslissen over of terzijde te stellen hetgeen [eiseres] bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd namelijk dat [A] altijd een trage betaler is geweest en dat de betalingstermijnen in vele gevallen 90 dagen en langer waren en dat het gewoon een kunst was om te pogen de boot voortdurend af te houden en dat het beoefenen van deze kunst helaas noodzakelijk was, en voorts dat fakturen helemaal niet stipt werden voldaan, en bij conclusie van dupliek dat onjuist is dat [A] zich als een regelmatige debiteur ten opzichte van [verweerster] heeft gedragen en dat, terwijl volgens de fakturen van [verweerster] betaling binnen 8 dagen diende plaats te vinden, deze fakturen werden betaald met een vertraging van 52 tot 113 dagen, en bij memorie van antwoord dat [verweerster] geen conclusie heeft getrokken uit het feit dat [A] een zeer slechte betaler was, zulks onder verwijzing naar de conclusie van dupliek.
Aldus heeft het Hof het recht geschonden of zijn motiveringsplicht verzaakt door niet te beslissen over of terzijde te stellen het verweer van [eiseres] , dat de directie van [A] precies even zelfstandig was als de directie van elke andere vennootschap met slechts een aandeelhouder, conclusie van antwoord ad 6 e, dat er overleg was tussen [eiseres] en [A] en dat zulks in de relatie moeder/dochter gebruikelijk is, dat irrelevant is dat [betrokkene 1] een schoonzoon is van [betrokkene 2] , dat [eiseres] betwist dat er sprake was van "feitelijke leiding", conclusie van dupliek, waarheen verwezen is in de memorie van antwoord.
Immers, bij conclusie van antwoord onder 18 ad 6 c heeft [eiseres] gemotiveerd betwist dat de beide functionarissen in dienst van [eiseres] waren. Het Hof heeft nagelaten dienaangaande gemotiveerd te beslissen.
Aldus heeft het Hof het recht geschonden of zijn motiveringsplicht verzaakt, omdat [eiseres] bij conclusie van antwoord onder 18 heeft aangevoerd, dat de curator voor deze afvoer een stokje heeft gestoken en deze goederen, behorende tot de bedrijfsvoorraad, welke in zekerheidseigendom aan [eiseres] toebehoorden, heeft verkocht; overigens tegen aanzienlijk lagere prijzen dan [eiseres] via haar kanalen had kunnen bedingen.
Aldus heeft het Hof het recht geschonden of zijn motiveringsplicht verzaakt. Immers, uit 's Hofs arrest blijkt niet waarom deze zekerheidsoverdrachten bedenkelijk zouden zijn en waarin de bedenkelijkheid daarvan zou bestaan.
[eiseres] heeft een en ander aangevoerd in de conclusie van antwoord onder 12 en onder 14, de conclusie van dupliek onder 5 en de memorie van antwoord onder 4 en onder 5. Het Hof is daarop niet ingegaan.
Aldus heeft het Hof het recht geschonden of zijn motiveringsplicht verzaakt. Immers, in het zojuist genoemde arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, produktie bij de conclusie van dupliek, wordt uit deze notulen geciteerd, zie zevende blad.
Hierbij zij nog het volgende opgemerkt:
De onderdelen 1 en 2 zijn terecht voorgesteld. Het Hof had de in deze onderdelen aangeduide feiten en omstandigheden niet als vaststaande mogen aannemen nu zij door [eiseres] waren betwist.
De motiveringsklacht van onderdeel 3c is evenzeer gegrond. Het Hof is in rechtsoverweging 4 tot de slotsom gekomen dat het "opstarten" van een produktiebedrijf als dat van [A] met een werkkapitaal als door het Hof vermeld, nauwelijks denkbaar is. Deze slotsom houdt mede in, dat het naar het oordeel van het Hof ook voor [eiseres] nauwelijks denkbaar moet zijn geweest, dat zij met het door haar gefourneerde kapitaal [A] tot een levensvatbare onderneming zou kunnen maken. Terecht voert het middel aan dat het Hof zonder motivering is voorbijgegaan aan de in het onderdeel aangeduide stellingen van [eiseres] over de bij haar bestaande gunstige verwachtingen voor [A] . Het Hof had zijn beslissing op dit punt met redenen moeten omkleden, zulks temeer omdat ingevolge de onder 2 bedoelde regel van belang is of en in hoeverre [eiseres] ten tijde van de zekerheidsoverdracht wist of behoorde te weten dat nieuwe schuldeisers zouden worden benadeeld.
De motiveringsklachten van de onderdelen 3d, 3e en3f en 4a, 4b en 4c falen, omdat de daarin bestreden beslissingen van het Hof (rechtsoverwegingen 6 en 7) feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk zijn.
Onderdeel 4d mist feitelijke grondslag.
Onderdeel 5 faalt omdat het is gericht tegen een passage in het bestreden arrest, die de beslissing niet draagt.
Onderdeel 6 is gegrond: het Hof had aan de in het onderdeel aangeduide stellingen van [eiseres] niet mogen voorbijgaan.
De motiveringsklachten van de onderdelen 7 en 8 behoeven geen behandeling, omdat zij uitwerkingen zijn van een onjuiste rechtsopvatting over de onrechtmatigheid van de gedragingen van [eiseres] .
Onderdeel 9 is gericht tegen een overweging ten overvloede.
Onderdeel 10 bestrijdt tevergeefs een feitelijke beslissing van het Hof.
Onderdeel 11 faalt op de gronden in de conclusie van de Advocaat-Generaal aangegeven.
De motiveringsklachten van de onderdelen 13d en 13e kunnen niet slagen nu de bestreden rechtsoverweging 8 moet worden begrepen als hierboven in nr. 3 onder b weergegeven. De onderdelen 13f en 13h missen feitelijke grondslag. De klacht van onderdeel 13i faalt, omdat het Hof kennelijk heeft aangenomen dat het overbrengen van onderdelen van de bedrijfsvoorraad op wens van [eiseres] is geschied.
Onderdeel 16 faalt. De daarin bestreden rechtsoverweging 15 van het bestreden arrest meet in deze zin worden begrepen, dat het Hof van oordeel is dat [eiseres] weliswaar na de zekerheidsoverdracht haar crediet aan [A] vergroot heeft, maar met een te gering bedrag om de onrechtmatigheid van haar handelwijze weg te nemen.
De motiveringsklacht van onderdeel 18 is gegrond. [eiseres] heeft bij haar beroep op "eigen schuld" van [verweerster] onder meer aangevoerd dat [verweerster] niet de hand heeft gehouden aan de door haar bedongen betalingstermijn: binnen acht dagen. Het Hof had daarover niet mogen zwijgen.
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;