Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
f6.500.717. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van
f3.649.383 opgelegd.
f429.371 en de vergrijpboete verminderd tot
f6.575.
f107.517.990. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van
f709.350 opgelegd.
f7.826.606 en de vergrijpboete verminderd tot
f11.753.
2.Feiten
Tot ik in 2005 dringend geld nodig had in mijn poging [bedrijf 1] te redden. Ik droeg het geld over aan [naam 2] , als premie, onder de voorwaarden dat hij de bedrijven zou financieren [Hof: verder ook de ‘Overdracht’]. Toen was ik, naar ik dacht, gelukkig van mijn probleem af.
Ik had mijn buitenlandse geld niet meer- ik had het namelijk afgedragen - en daardoor financiering aan m’n bedrijf gerealiseerd.”
Voor als er een boom oversteekt.
wordt overgedragen alle buitenlandse “familietegoeden” ter grote van ongeveer 1 miljoen Euro.
wanneer gewenst, de [bedrijf 1] financieren tot een maximum van 2 miljoen Euro.
in 2005 afscheid genomen van het vermogen in de [Stichting]. Dit geld is overgedragen aan een goede vriend […] [naam 2].”
aan zekerheid€ 1.050.000,- naar [[naam 2]] is gegaan.
Onder auspiciën van […] [naam 2] en
onder dekking van deze geldenzijn aan […] bedrijven van [belanghebbende] in totaal voor € 2.300.000,- aan leningen verstrekt, te weten:
Deze lening werd […] verstrekt door [bedrijf 3], een maatschappij van [[naam 2]], [bedrijf 4] BV […] en door [bedrijf 5] BV […] en wel ieder voor 1/3 deel oftewel ieder voor € 400.000,-.
Voor de lening staat [belanghebbende ….] borg […]
- Partij A heeft nimmer aanspraak willen maken op (een) uitkering(en) uit het vermogen van de [Stichting]. Derhalve heeft partij A besloten om afstand te doen van zijn aanspraak/gerechtigdheid tot het vermogen van de [Stichting]. Echter, gezien het feit dat de bedrijven (lees: “de [bedrijf 1] Groep”) van partij A
- Partijen zijn begin 2005 overeengekomen dat partij A alle tegoeden van de [Stichting] ter beschikking zal stellen aan partij B als
- Partijen zijn overeengekomen dat de bovenstaande afspraken tevens zullen gelden ten aanzien van hun erfgenamen.
- Partijen hebben de bovenstaande afspraken op 10 juli 2005 geformaliseerd in [de Notitie …]
- Per saldo is in de jaren 2005 tot en met 2008 ongeveer € 1.050.000 van het vermogen van de [Stichting] overgegaan naar partij B als zekerheid voor het geval de bedrijven van partij A behoefte zouden hebben aan financiering.
- Onder auspiciën van partij B en onder dekking van de voornoemde gelden zijn aan de bedrijven van partij A in totaal voor € 2.300.000 aan leningen verstrekt.”
Aanleiding onderzoek
1. Feiten
uiterlijkwoensdag 30 september 2010 de gevraagde informatie volledig wil hebben.
- ik alle gegevens waarover ik beschikte of waarover ik kon beschikken betrekking hebbend op de [Stichting] heb verstrekt aan de Belastingdienst;
- tot het vermogen van [de Stichting] alleen behoort de bankrekening met effectendepot op naam van de [Stichting] aangehouden bij de [naam 4]Bank te Zwitserland, zoals opgenomen in de stukken die ik heb verstrekt aan de Belastingdienst [Hof zie 2.21];
- de [Stichting] niet beschikt over andere vermogensbestanddelen dan vorenvermelde bankrekening;
- ik niet beschik over enig ander buitenlands vermogen in welke zin dan ook.dat ik geen beroep zal [doen] op het verstrijken van de navorderingstermijn van 12 jaar […] in het geval de inspecteur op enig moment de beschikking verkrijgt over gegevens en inlichtingen waaruit volgt dat hetgeen onder de vorige punten vermeld, onjuist is. Hiermee behoudt de inspecteur het recht navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting op te leggen vanaf het jaar 1998.”
3.De uitspraak van de rechtbank
4.Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep
5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep
Artikel 41
dringendbehoefte aan geld, ze dienden te worden gered (aldus zijn eigen onder 2.4 opgenomen verklaring). Om in die acute financieringsbehoefte te voorzien draagt belanghebbende zijn vermogen over aan [naam 2]. Het is in dat licht onbegrijpelijk dat [naam 2] - volgens belanghebbendes verklaring (zie 2.12) - echter pas vanaf oktober 2007 (meer dan twee jaren later) de ondernemingen van belanghebbende financiert.
itleg van belanghebbende dat hij het vermogen van de Stichting niet rechtstreeks in zijn ondernemingen heeft aangewend, maar de omweg via [naam 2] heeft gevolgd, omdat hij niet aansprakelijk gesteld wilde worden uit hoofde van een persoonlijke borgstelling tegenover de bank, acht het Hof niet geloofwaardig. Immers uit 2.12 blijkt dat belanghebbende borg stond voor de in oktober 2007 gesloten ‘leningen’ en wel voor een bedrag van € 1.800.000.
Bovendien is het daarnaast uitermate vreemd dat de ‘borgstellingsprovisie’ in drie termijnen, volgens Tabel 3 (zie 2.11 onder Feiten) is betaald. Ook is opmerkelijk dat de Notitie niet over een borgstellingsprovisie spreekt en de gemachtigde in zijn schrijven van 23 februari 2011 het bedrag van € 1.050.000 niet als borgstellingsprovisie, maar als ‘zekerheid’ respectievelijk als ‘dekking’ voor de financiering door [naam 2] typeert (zie 2.12).
6.Kosten
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boete tot een bedrag van 50% van de nagevorderde inkomstenbelasting.
Betreffende de uitspraak van de rechtbank 11/6550 (VB 99)
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boete tot een bedrag van 50% van de nagevorderde vermogensbelasting.
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen;
- vermindert de aanslag IB 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 146.494 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 219.574.
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die betrekking heeft op de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de boete;
- vermindert de aanslag IB 2006 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 311.258, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 231.553;
- vernietigt de boetebeschikking.
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.855; en
- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 460 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 501, te vergoeden.