Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2014 (de rechtbank begrijpt: 2015) hebben wij [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986, verdachte van woninginbraak overgenomen en overgebracht naar het politiebureau Van Leijenberghlaan te Amsterdam. Aldaar zag ik, [verbalisant 8], dat in de rechterbroekzak van verdachte 2 pasjes zaten op naam van: [betrokkene 1].
4. Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015022187-1 van 29 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina’s 23 en 24).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
- een flatscreen-televisie van Panasonic
- parfum van Gucci
- een Armani vest voor kinderen
- McGregor kinderbroek kaki kleur
- kinderpolo van het merk Marco Polo
- 2 witte kinderjurkjes van het merk Burberry.
De weggenomen kleding is gekocht als cadeau en zaten in cadeauverpakking. Deze goederen behoren mij geheel in eigendom toe. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] en verbalisant, zakelijk weergegeven:
Noot verbalisant: Hierop toont verbalisant diverse in beslag genomen goederen die in het voertuig van verdachte zijn aangetroffen.
Ik zie het geldkistje. Deze is zeker weten van mij. Ik herken het gele Louis Vuitton zakje ook als mijn eigendom, daarin zat mijn tasje met de thee. Ik herken ook de televisie. U toont mij foto’s van de KLM-pasjes met mijn naam er op. Dit zijn mijn pasjes.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:
4.Het middel
4.2.2. Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).
4.2.3. In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.”