Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
7.De beslissing
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 5.6 voor zover het hof daarin de huur- en zorgtoeslag bij het inkomen van de vrouw heeft geteld.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof hiermee het grievenstelsel heeft miskend, buiten het partijdebat is getreden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, nu de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van de vrouw geen rekening heeft gehouden met de huur- en zorgtoeslag en deze toeslagen niet bij het inkomen van de vrouw heeft geteld en de man daar in appel niet tegen is opgekomen.
Subonderdeel 1.2klaagt voor het geval het hof een daartoe strekkende stelling van de man in het beroepschrift zou hebben gelezen dat deze lezing onbegrijpelijk is.
Subonderdeel 1.3klaagt tot slot dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en verwijst daartoe (o.m.) naar de beschikking van de Hoge Raad van 27 januari 1995 [8] .
subonderdelen 2.1 en 2.2klagen in de kern dat het hof aldus heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting gelet op de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 27 januari 1995 en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 [13] , waaruit blijkt dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop bij de vaststelling van kinderalimentatie niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.
subonderdeel 2.3klaagt tot slot dat het hof buiten het partijdebat is getreden als het zou hebben gemeend dat de man onderhoudsplichtig is voor deze kinderen.
onderdeel 3dat is voorgesteld voor het geval het kindgebonden budget toch bij het inkomen van de vrouw moet worden geteld en/of op haar behoefte in mindering moet worden gebracht.
Subonderdeel 5.1klaagt, samengevat, dat het hof heeft miskend dat het gehouden was om aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, kenbaar te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid van de vrouw kon worden gevergd. Dit klemt volgens het subonderdeel te meer nu het met terugwerkende kracht op nihil stellen van de partneralimentatie tot een terugbetalingsplicht van minimaal € 5.936,- leidt en het hof voor een dergelijk onderzoek voldoende feitelijke grondslag had. Het – niet als zodanig genummerde –
subonderdeel 5.2klaagt voorts dat, voor zover in het oordeel van het hof besloten zou liggen dat een terugbetalingsverplichting in redelijkheid van de vrouw kan worden gevergd, dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Het subonderdeel wijst er daartoe op dat (i) uit rov. 5.6 van de beschikking van het hof volgt dat de vrouw, rekening houdend met haar arbeidsinkomen, de huur- en zorgtoeslag en de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting een besteedbaar inkomen van € 1.648,- [18] heeft, (ii) op de in het geding gebrachte behoeftelijst [19] een bedrag van € 362,- aan kinderalimentatie staat, (iii) de vrouw met twee kinderen in de leeftijd van 15 en 17 jaar dus slechts circa € 2.000,- per maand te besteden heeft en (iv) uit de gedingstukken voorts niet blijkt dat de vrouw over vermogen beschikt.