Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Subonderdeel 1aklaagt dat het oordeel van het hof niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen. De vrouw heeft onder meer gesteld dat de ontslagvergoeding door de man c.q. door partijen altijd bedoeld is geweest als oudedagsvoorziening. Verder heeft de vrouw een e-mail van de man overgelegd waarin de man zegt dat hij de stamrecht-BV altijd heeft gezien als hun pensioenvoorziening omdat hij in zijn werkzaam leven bij werkgevers niet veel aan pensioen heeft opgebouwd. De vrouw stelt dat dit een essentiële stelling betreft die het hof niet onbehandeld of impliciet ongemotiveerd had mogen verwerpen, nu deze stelling het standpunt inhoudt dat sprake is geweest van een bestemmingswijziging van de ontslagvergoeding en dat aanvaarding van deze stelling meebrengt dat van verknochtheid geen sprake meer is.
gedeeltelijkverknocht is.
Moet dat geld wel of niet verrekend worden? Ik meen van wel, De helft komt voor rekening van de vrouw, de helft voor rekening van [?] de man. Het totaal netto inkomen van de man van € 70.000,— is uitgegeven, Vervolgens moet het vermogen van partijen worden aangesproken.Ik wil vaststellen dat de man ook moet leven en dat ook zijn kosten van de huishouding moeten worden betaald uit zijn inkomen. In productie 15 heeft de man uitgerekend wat de kosten van de huishouding van de vrouw zijn geweest. Daarnaast heeft de vrouw ook van een eigen rekening geleefd, daarvan heeft zij ook kosten van de huishouding betaald: € 1.755,12 per maand. Samen € 2.884,47 per maand.
Het netto loon bedroeg € 77.160,—. De totale uitgaven waren € 147.622,—. Er was dus een tekort van € 70.461,—. Daar komen de kosten die de vrouw zelf heeft gemaakt nog bij. Dan kom je op € 87.404,—. De helft daarvan, € 43.702,— zou de vrouw moeten betalen aan de man.’ (cursivering toegevoegd)
door de vrouwgepretendeerde aanspraak. Deze aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
feitelijkeverdeling verstaat, maakt hij niet duidelijk. Mogelijk bedoelt hij het tijdstip waarop ter uitvoering van de verdeling overeenkomstig art. 3:186 BW Pro levering van de voormalige echtelijke woning aan de man zal plaatsvinden. In dat geval faalt de klacht omdat zij ten onrechte de effectuering van de verdeling aan de verdeling gelijkstelt.
de wijze vanverdeling gelast (een onderscheid dat door art. 3:185 lid 1 BW Pro wordt gemaakt), de verdeling een erop volgende overeenkomst van verdeling door partijen veronderstelt. [9] Ervan uitgaande dat de opvatting van het middel is dat voor de peildatum deze op de beslissing van de rechter volgende overeenkomst van verdeling bepalend is, dient de klacht mijns inziens eveneens te worden verworpen.
a contrarioworden afgeleid dat indien de rechter de wijze van verdeling bepaalt, iets anders geldt. De reden die genoemde beschikking voor de regel geeft, namelijk dat op de dag van de uitspraak wordt vastgesteld wat aan een ieder toekomt, is integendeel óók geldig ingeval de rechter, zoals in een geval als het onderhavige, de wijze van verdeling nauwkeurig heeft vastgesteld, met inbegrip van het bedrag van de eventuele overbedelingsaanspraak. Daarom komt ook in een geval als het onderhavige, als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking.