Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
De kantonrechter overweegt (vonnis 13 september 2006, rov. 9. en 11.):
twijfelaan zijn integriteit in redelijkheid terecht was. Dat had ABN AMRO moeten onderzoeken alvorens te (kunnen) weigeren de integriteitsverklaring af te geven. De resultaten van dat onderzoek had zij dan kant en klaar in deze procedure kunnen (en moeten) inbrengen. De brief van 28 juli 2005 heeft zijn uitwerking allang gehad en het kwaad voor [eiser] is dus reeds geschied. Toetsing van het gedrag van [eiser] achteraf zal in de premature handelwijze van ABN AMRO geen verandering meer kunnen brengen. Voor een bewijsopdracht aan ABN AMRO met betrek-king tot de gedragingen van [eiser] is daarom helemaal geen aanleiding.”
“Op zichzelf vond ik het verzoek van [eiser] niet bijzonder en ik voldeed er dan ook aan zonder vragen te stellen.”Uit niets blijkt dat [betrokkene 7] zich gedwongen voelde de lening in het RDW systeem te boeken of dat het desbetreffende verzoek van [eiser] bijzonder was. Integendeel, [betrokkene 7] zag geen aanleiding nadere vragen te stellen.
“de relevante gedragingen van [eiser] niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang te beoordelen”. Het gaat om het totaalbeeld dat ontstaat. Daarbij kan niet worden afgezien van het (ook) opnieuw wegen van de afzonderlijke gedragingen op zichzelf. Immers, deze gedragingen vormen geen gelijksoortige eenheden met identiek soortelijk gewicht, waarbij het na verwijzing volstaat de eerder – in dit geval: door hof Amsterdam – afzonderlijk gewogen eenheden
op te tellenom tot een totaal(beeld) te komen.”
Ad i. (…)
door te drukken, maar gesteld noch gebleken is dat hij dat – op een passende wijze – heeft gedaan. [eiser] had gezien de wetenschap dat nadere kredietverlening volgens deze richtlijnen niet mogelijk was en de afwijzende reactie van [betrokkene 3] op zijn verzoek, er van af moeten zien om [betrokkene 8] , kennelijk met opzet buiten [betrokkene 3] om, te verzoeken het krediet (snel) te verlenen. [betrokkene 8] was ondergeschikte van [eiser] en voelde kennelijk enige druk – zij het geen dwang – om het krediet te verlenen, nu hij heeft verklaard: “
Ik weet wel dat het verzoek van [eiser] kwam en dat het krediet snel moest worden verleend. Ik kende de achtergronden van [betrokkene 10] niet maar omdat [eiser] directeur van het kantoor was heb ik toch het krediet ver[s]trekt”. Dat [betrokkene 8] uiteindelijk ook een verantwoordelijkheid inzake de kredietverlening aan [betrokkene 10] droeg, doet aan dit verwijt niet af.
“[i]k vond die opdracht niet passend en niet normaal omdat die frauduleus was en een verkeerd beeld zou geven voor de medewerkers”. (…)
Ad ii. (…)
client treatmentsgeen (relevant) zakelijk doel [is] toe te dichten, maar als privé festiviteiten [zijn] aan te merken. Het is immers goed denkbaar dat deze
client treatmentsbedoeld zijn als een zakelijke netwerkactiviteit. Dat bepaalde klanten daarvoor bij herhaling zijn uitgenodigd, dat – bijvoorbeeld – het hotel zich niet in het marktgebied Amsterdam-Zuid bevindt, en dat [eiser] sterke banden heeft met de eigenaren van het hotel, is, zonder bijkomende omstandigheden, die niet zijn gesteld, niet een aanwijzing dat dit anders is. De persoonlijke overtuiging van [betrokkene 3] dat de sponsoring nooit tot stand zou zijn gekomen zonder bedoelde persoonlijke band, welke overtuiging verder niet is toegelicht, maakt dit ook niet anders. Een andere kwestie is of deze
client treatmentssuccesvol waren, of niet. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geoordeeld dat [eiser] ter zake van deze kwestie verwijtbaar heeft gehandeld.
zacht prijsjevoor hemzelf.
Totaalbeeld verwijten
3.Ontvankelijkheid cassatieberoep
4.Bespreking van de cassatieklachten
eerste onderdeelvalt uiteen in drie afzonderlijke subonderdelen.
eerste subonderdeel(cassatiedagvaarding 1.1-1.6) wordt naar de kern betoogd dat het in deze zaak in acht te nemen toetsingskader niet wordt gevormd door de Integriteitscode. Volgens [eiser] vormt deze Integriteitscode slechts een norm tussen banken onderling. In de verhouding tussen ABN AMRO en [eiser] zou het toetsingskader daarom primair worden gevormd door de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst. Het
tweede subonderdeel(cassatiedagvaarding 1.8) verdedigt dat het hof, mede gezien art. 25 Rv Pro, het beginsel van goed werkgeverschap in zijn beoordeling had moeten betrekken. In het
derde subonderdeel(cassatiedagvaarding 1.9-1.10) wordt bepleit dat de Integriteitscode geen verplichting bevat om uitlatingen te doen over de reden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [eiser] meent dat het hof daarom zijn stelling had moeten honoreren dat ABN AMRO de geheimhoudingsbepaling uit de beëindigingsovereenkomst heeft geschonden.
eerste subonderdeelis naar mijn mening reeds om processuele redenen vergeefs voorgesteld. In een procedure na cassatie en verwijzing die volgt op een vernietiging van een einduitspraak is de verwijzingsrechter gebonden aan alle in de vernietigde uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of vergeefs zijn bestreden. [9] , [10] De in cassatie onbestreden overwegingen hebben immers kracht van gewijsde verkregen en de in cassatie vergeefs bestreden beslissingen zijn onaantastbaar geworden door het arrest van de Hoge Raad. [11] De verwijzingsrechter is slechts in twee gevallen
nietaan een eerdere eindbeslissing gebonden, namelijk als de eindbeslissing vanwege de vernietiging in cassatie niet in stand is gebleven (art. 424 Rv Pro) of als in cassatie tegen de eindbeslissing is opgekomen en de gegrondheid van die klacht in het midden is gelaten. [12]
“Er bestaat slechts een inspanningsplicht “mee te werken” voor ABN AMRO voor zover voldaan wordt aan het voorbehoud van toestemming van betrokkene, aldus artikel 1. Anders gezegd: indien die toestemming niet wordt verleend aan ABN AMRO door [eiser] , dan legt artikel 1 geen Pro plicht op ABN AMRO de gevraagde informatie (alsnog) te verlenen.”(cassatiedagvaarding 1.10). Kennelijk wil [eiser] ingang doen vinden dat de informatie over de beëindiging van het dienstverband vanwege het ontbreken van toestemming niet is te scharen onder de van de geheimhoudingsclausule uitgezonderde ‘verplichtingen op grond van de Integriteitscode’ en daarmee juist binnen de reikwijdte van de geheimhoudingsclausule valt. Volgens [eiser] zou de verstrekking van de informatie zonder toestemming daarom in strijd zijn met de Integriteitscode hetgeen jegens hem onrechtmatig kan zijn. Ook dit subonderdeel treft geen doel. Het subonderdeel wijst namelijk niet op stellingen in de gedingstukken waarmee een zodanig betoog is ontwikkeld. Het verwijzingshof heeft in rov. 54. tot uitgangspunt genomen dat het in het onderhavige geding gaat om verplichtingen op grond van de Integriteitscode en dat ABN AMRO met de brief van 28 juli 2005 daarom niet heeft gehandeld in strijd met de beëindigingsovereenkomst. Mede gezien het ontbreken van een (verwijzing naar een) andersluidend betoog in de gedingstukken in feitelijke instanties is die beoordeling noch onjuist noch onbegrijpelijk te achten.
eerste onderdeelongegrond.
tweede onderdeel(cassatiedagvaarding 2.1-2.3) strekt ten betoge dat het hof ten onrechte niet zou hebben onderkend dat de inhoud van de brief van
28 juli 2005 zelfstandig door [eiser] ten grondslag is gelegd aan zijn stelling dat ABN AMRO onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [eiser] meent dat het hof voorbij is gegaan aan zijn stelling dat er (in het kader van de Integriteitscode) geen noodzaak of verplichting was tot het verstrekken van informatie. Volgens [eiser] ligt in zijn betoog besloten dat MeesPierson zonder de aanvullende informatie niet zonder meer gebruik zou hebben gemaakt van haar bevoegdheid om [eiser] niet in dienst te nemen (cassatiedagvaarding 2.3).
tweede onderdeelmist dus feitelijke grondslag.
derde onderdeelwijst op het betoog dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ABN AMRO de integriteitsverklaring zou verstrekken en hem zou steunen bij het zoeken van een andere baan. Volgens het onderdeel zou het verwijzingshof ten onrechte niet op dat essentiële betoog hebben gerespondeerd. [eiser] verwijst in dat kader naar de (hierna geciteerde) randnummers 29-30 van de inleidende dagvaarding, randnummer 30 van de conclusie van repliek, de inhoud van het getuigschrift en het concept-verzoekschrift voor de pro forma ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het voorafgaande onderhandelingstraject:
derde onderdeelslaagt niet.
vierde onderdeelricht zich tegen de overweging van het verwijzingshof dat het feit dat ABN AMRO geen hoor- en wederhoor heeft toegepast niet maakt dat de bank onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld in de door hem bedoelde zin. [eiser] acht deze motivering onvoldoende begrijpelijk. [eiser] wijst in dat verband op het in de Integriteitscode opgenomen vereiste van instemming van de werknemer en de norm van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW Pro.
vierde onderdeelis daarom vergeefs voorgesteld.
vijfde onderdeelzijn twee klachten te onderscheiden.
vijfde onderdeelvergeefs is voorgedragen.