Conclusie
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat uit art. 6 EVRM Pro geen recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor van de verdachte voortvloeit van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of het verweer van de raadsvrouw strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de verdachte vanwege schending van het recht op verhoorbijstand door het hof op ontoereikende gronden is verworpen.
NJ2016/52 m.nt. Klip zijn eerdere rechtspraak over de ‘Salduz-thematiek’ [1] heeft aangescherpt: de aangehouden verdachte heeft niet langer alleen recht voorafgaand aan zijn verhoor door de politie een rechtsgeleerd raadsman te spreken, maar voortaan ook in de regel recht op bijstand van een advocaat tijdens dat verhoor. De Hoge Raad legt uit waarom:
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.