Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Master Professional Service Agreement). Op grond van deze overeenkomst heeft Getronics plaatsing, onderhoud en servicemanagement verzorgd van foto-kiosken van Kodak in zeven Europese landen. Getronics maakte bij de uitvoering van haar diensten voor Kodak gebruik van onderaannemers, waaronder TOP [2] . De werkzaamheden van TOP bestonden voornamelijk in het aansturen van haar technische koeriers voor onderhoud en reparatie van de kiosken in Duitsland en Oostenrijk. De afspraken tussen Getronics en TOP zijn vastgelegd in een
Vendor Services Agreement, in het bestreden arrest en ook hierna aangeduid als de ‘VSA’.
commits himself not to establish direct contact concerning the performances of customers assigned in this agreement, also not by third companies/partners in order to build up consciously possible business activities for the assigned performances. In case of infringement vendor commits himself to pay to Getronics a standard amount of € 1,000,000 for the compensation of the occurred damage by breach of the contract. Vendor commits himself to accept an “aftereffect/repercussion clause ” of 12 months.
current service partners will be present in FMO[Future Mode of Operation]”, met specifiek in relatie tot de werkzaamheden van TOP
"as today’’en voorts “
Keep Service As Is”, "All main keyplayers remain the same", "Complete supply chain structure will stay in place”en
"No change of face to the customer”en
2.Bespreking van het cassatiemiddel
business activities- aldus TOP - is evident het streven naar een rechtstreekse opdracht van Kodak en met
the assigned performances- aldus nog steeds TOP - zijn niet de door Getronics aan TOP, maar de door Kodak aan Getronics opgedragen werkzaamheden bedoeld. TOP concludeert vervolgens dat zij het beding niet heeft geschonden omdat zij op 4 februari 2014 alleen erbij was als potentiële onderaannemer van ICS voor de (toen nog) door Getronics aan haar opgedragen werkzaamheden.
in this Agreementzijnde onmiskenbaar de VSA; naar de letter gaat het dus om de door Getronics aan TOP opgedragen werkzaamheden. Verder staat niet in het beding dat het om een rechtstreekse opdracht van Kodak aan TOP moet gaan. Dat ligt ook niet zonder meer voor de hand, in aanmerking nemende dat Getronics in de situatie waarin het hier om gaat - waarin Kodak met ICS heeft gecontracteerd - evenzogoed concurrentie is aangedaan. Het bestanddeel
also not by third companies/partnerslijkt juist in die situatie te voorzien; er zijn geen aanwijzingen dat die derden - zoals TOP nog heeft betoogd - stromannen o.i.d. zouden moeten zijn.
onder Idat het hof in rov. 3.10 het standpunt van TOP over de uitleg van het beding in artikel 15.1 van de VSA onvolledig althans onbegrijpelijk heeft weergegeven. Het middelonderdeel verwijst naar bepaalde passages in de gedingstukken en meent dat het hof deze stellingen onbesproken laat en met name de onderbouwing door TOP daarvan, “afkomstig van het Duitse contract en geënt op de dagelijkse praktijk van een onderaannemer en een hoofdaannemer”.
also not by third companies/partners” in dit beding uitsluitend betrekking zou hebben op ‘stromannen’. In rov. 3.2 (iii) en 3.12 heeft het hof – onbestreden − vastgesteld dat artikel 10.3 in de eerdere Duitstalige overeenkomst correspondeert met artikel 15.1 in de VSA. Met zijn overweging dat het beding in de Duitstalige overeenkomst steun biedt voor de uitleg die Getronics aan artikel 15.1 geeft, heeft het hof voldoende kenbaar tot uitdrukking gebracht dat hetgeen het hof in rov. 3.11 overwoog ook opgaat voor het beding in de eerdere Duitstalige overeenkomst. Het gestelde in de conclusie van antwoord noopte het hof niet om dit oordeel nader te motiveren dan het hof heeft gedaan. Voor het overige is het oordeel feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. De klacht onder II faalt.
third parties/companies” (in artikel 15.1, reeds geciteerd) beperkt zou zijn tot derden die als stroman optreden. Daarmee heeft het hof zijn oordeel dat de uitleg van Getronics steun vindt in de aard, strekking en bewoordingen van het beding voldoende met redenen omkleed. Wat betreft de overweging dat het beding in de eerdere Duitstalige overeenkomst (door het hof geciteerd in rov. 3.1 onder iii) steun biedt voor de uitleg van Getronics, is hiervoor in alinea 2.8 al aangegeven waarom de motivering voldoende is.
onder IVeen zo genaamde ‘veegklacht’ tegen rov. 3.11 -3.15, 3.19, 3.20 - 3.25 en het dictum. Deze deelt het lot van de voorgaande klachten.
onder Idat het hof ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen TOP had aangevoerd over de wijze waarop partijen invulling aan hun overeenkomst hebben gegeven (de toelichting verwijst naar de memorie van antwoord nrs. 5-7, 10 en 37-45). Daarmee heeft het hof volgens TOP miskend dat op grond van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van een overeenkomst
alleomstandigheden van het geval met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid in acht moeten worden genomen. Subsidiair is aan deze rechtsklacht een motiveringsklacht toegevoegd.
Onder IIbevat het subonderdeel de klacht dat in dit kader onjuist is dat, althans onbegrijpelijk is waarom, het hof in rov. 3.11 - 3.15 heeft geoordeeld dat TOP het beding in artikel 15.1 van de VSA heeft overtreden en blijkens rov. 3.13, 3.15 en 3.23 bovendien nog van oordeel is dat TOP dit
bewustheeft gedaan. TOP stelt dat uit haar stellingen in de alinea’s 5, 6, 8, 9, 39, 56 en 57 van haar memorie van antwoord volgt dat TOP geenszins de intentie had het beding te overtreden: zij was zich van geen kwaad bewust; zij heeft zich moeite getroost om zich aan het beding te houden en zij deed slechts wat in de branche gebruikelijk is. Volgens de klacht had het hof deze omstandigheden kenbaar moeten meewegen bij de uitleg van het beding. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
als zodaniggeen afbreuk aan de uitleg die het hof aan artikel 15.1 van de VSA heeft gegeven [13] . TOP’s stellingen over haar goede intentie (welke onder meer zou blijken uit het feit dat zij aan Getronics had gemeld dat zij was benaderd door concurrenten van Getronics, zie rov. 3.14) en over hetgeen in de branche gebruikelijk is voor een onderaannemer die op zoek is naar een nieuwe opdracht, hielden niet in dat het gebruikelijk is dat een onderaannemer met een concurrentiebeding onder de duiven van zijn hoofdaannemer schiet door zich tezamen met een andere aanbieder bij de principaal als een team te presenteren ten einde de principaal te bewegen voortaan met die andere aanbieder in zee te gaan. Subonderdeel 2.1.2 faalt.
contra proferentem, dat wil zeggen dat bij twijfel wordt gekozen voor de uitleg die het minst belastend is voor de partij die de verplichting op zich heeft genomen. [18]
contra proferentemindien geen sprake is van onduidelijkheid in de overeenkomst. [19] Overigens verdient opmerking dat in de rechtsverhouding tussen twee professionele partijen een uitleg
contra proferentemeen gezichtspunt is, dat de rechter bij de uitleg kan betrekken. [20] Onderdeel 2.1.5 faalt.
onder Ibouwt slechts voort op de voorgaande middelonderdelen en behoeft op deze plaats geen bespreking.
Onder IIbevat het middelonderdeel een klacht over de vaststelling, in rov. 3.13, dat ICS en TOP bij de
PowerPoint-presentaties op 4 februari 2014 zich tegenover Kodak hebben gepresenteerd als een team. Volgens TOP is deze vaststelling onbegrijpelijk in het licht van haar stelling dat zij op 4 februari 2014 tegenover Kodak heeft aangegeven neutraal te zijn en ook verder voor Getronics werkzaam te zullen zijn. [21] Verder klaagt dit middelonderdeel over een wettelijk verboden aanvulling van de feiten, doordat het hof in rov. 3.13 overweegt dat de aanwezigheid van TOP alleen kan hebben gediend ter versterking van de positie van ICS, dat Kodak en TOP met elkaar bekend kunnen worden verondersteld en dat het doel is geweest Kodak ertoe te bewegen in zee te gaan met ICS. Tot slot richt het middelonderdeel een rechts- en een motiveringsklacht tegen de overweging in rov. 3.14 dat het TOP niet kan baten dat zij aan Getronics heeft gemeld dat zij was benaderd door concurrenten van Getronics.
neutraalzijn, maar zij heeft toch kennelijk haar kansen willen vergroten om haar werk als onderaannemer voor Kodak te kunnen blijven verrichten (zo niet voor Getronics dan toch voor ICS). Bovendien - zo is niet in geschil - had ICS voor haar in petto dat zij mogelijk in 2014 haar werkterrein kon uitbreiden naar Ierland, Engeland en Frankrijk.
PowerPoint-presentaties van ICS heeft toegestuurd gekregen met daarop de logo’s van onder meer ICS en TOP en teksten als “
current partners will be present in FMO”,
PowerPoint-presentaties van ICS aan Kodak en toen aan Kodak heeft bevestigd dat zij (ook) als onderaannemer voor ICS beschikbaar zou zijn.
PowerPoint-presentaties optraden als een ‘team’ en dat TOP de boodschap van ICS ondersteunde. TOP was tevoren bekend met de inhoud van deze presentaties en aanwezig bij de presentatie daarvan door ICS aan Kodak. Het standpunt van TOP dat zij zich tegenover Kodak neutraal heeft opgesteld, is het hof niet ontgaan. Dat blijkt uit de zinsnede in rov. 3.13: “zij mocht dan wel
neutraalzijn”. De klacht over een verboden aanvulling van de door partijen gestelde feiten faalt. Dat Kodak en TOP elkaar kenden, heeft het hof kunnen afleiden uit het gestelde feit dat TOP jarenlang als onderaannemer van Kodak heeft gewerkt. [22] De andere in dit verband door TOP genoemde overwegingen heeft het hof kunnen baseren op door Getronics aangevoerde stellingen. Zie met name Getronics’ betoog: “
Hoe TOP kan beweren dat dit alles voor haar geen acquisitief doel diende, is voor Getronics niet te volgen”, “
De (…) ‘standaardpresentatie’ van TOP had uiteraard maar één strekking: het ondersteunen en het deelnemen aan ICS’ poging Kodak als klant binnen te halen.” [23] In de redenering van Getronics en van het hof is TOP verder gegaan dan een zakelijke mededeling dat indien de opdracht aan ICS zou worden verleend, zij eventueel beschikbaar zou zijn als onderaannemer voor ICS. TOP zou met ICS hebben samengewerkt als een ‘team’ om te bereiken dat ICS deze opdracht zou kunnen binnenhalen. Ook indien een andere waardering van de feiten mogelijk was geweest, geldt dat de door het hof gemaakte gevolgtrekking niet onbegrijpelijk is. In de ogen van TOP maakte het misschien geen verschil of zij haar diensten voor de fotokiosken van Kodak verleent via Getronics dan wel via ICS (of een andere aanbieder). In de redenering van Getronics en van het hof moet TOP echter hebben begrepen dat een actieve ondersteuning door TOP van de aanbieding van ICS ten koste ging van de kansen van Getronics om de (vervolg)opdracht van Kodak te verwerven. De in het onderdeel genoemde passages uit de memorie van antwoord noopten het hof niet om hieraan nog een nadere motivering toe te voegen aan rov. 3.13. De overweging in rov. 3.14, dat het TOP niet baat dat zij aan Getronics heeft gemeld door concurrenten van Getronics te zijn benaderd, is evenmin onbegrijpelijk. Het hof heeft toegelicht dat het verwijt aan TOP niet inhoudt dat zij voor ICS is gaan werken, maar dat zij met ICS heeft samengewerkt om Kodak zo ver te krijgen dat zij met ICS zou gaan werken. Onderdeel 2.1.6 faalt.
PowerPoint-presentaties en de rol daarin van TOP onmiskenbaar ten doel hebben gehad Kodak ertoe te bewegen met ICS in zee te gaan en dat TOP daarmee ook haar eigen belang heeft gediend. Dat naar het oordeel van het hof daarin besloten ligt dat voldaan is aan het opzetvereiste van artikel 10.1 onder c van de VSA (“
intentional or grossly negligent acts of omissions”) behoefde geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Met het begrip ‘voorwaardelijk opzet’ in het strafrecht heeft dit maar weinig te maken [29] . In de in het onderdeel genoemde vindplaatsen heeft TOP niet met zoveel woorden gesteld dat zij zich niet ervan bewust was dat zij, door haar medewerking aan de presentatie op 4 februari 2014, het concurrentiebeding in artikel 15.1 van de VSA overtrad. Daar komt bij dat in de door het hof aan dit beding gegeven uitleg besloten ligt dat TOP heeft moeten begrijpen dat het haar op grond van dit beding niet was toegestaan met ICS samen te werken om te trachten Kodak te bewegen om voor ICS en dus niet voor Getronics te kiezen. [30] Onderdeel 2.2.4 faalt.
volledigeschadevergoeding. Het hof miskent volgens TOP dat ingevolge artikel 6:94 lid 2 BW Pro een hoge drempel geldt voor aanvullende schadevergoeding naast een contractuele boete. TOP klaagt verder dat het hof niet zonder meer mocht aannemen dat de bedoeling van artikel 18.9 van de VSA is om artikel 6:94 lid 2 BW Pro opzij te zetten.
the rights and remedies provided in this Agreement shall not be exclusive and are in addition to other rights and remedies provided at law (…)”. Dat het hof (rov. 3.23) daarin een bevestiging heeft gezien dat de boete van artikel 15.1 de mogelijkheid van een vordering tot vergoeding van schade uit wanprestatie onverlet laat, behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. In rov. 3.13 had het hof al geconcludeerd dat de boete van artikel 15.1 van de VSA bedoeld is als prikkel tot nakoming. Anders dan het middelonderdeel lijkt te veronderstellen, heeft het hof in rov. 3.23 niet geoordeeld dat artikel 15.1 een fixatie van de schade inhoudt. Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing. Ingevolge artikel 6:92 lid 2 BW Pro geldt de hoofdregel dat een contractuele boete in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. Partijen kunnen echter anders overeengekomen [31] . Het hof heeft in rov. 3.23 beslist dat die situatie zich voordoet. Artikel 6:94 lid 2 BW Pro geeft een regeling voor het toekennen van aanvullende schadevergoeding in gevallen waarin de contractuele boete
wélbedoeld is om in de plaats te treden van schadevergoeding op grond van de wet. Het middelonderdeel, dat hieraan voorbij gaat, faalt.
De minimis-bekendmaking van 26 juni 2014, zulks naar aanleiding van het Expedia-arrest (HvJEU 13 december 2012, zaak C-226/11). [32]
Onder Iklaagt TOP dat het hof ten onrechte geen enkele aandacht heeft besteed aan het argument dat een contactverbod volstrekt onwerkbaar zou zijn, gelet op de in deze branche benodigde tijdige contacten met potentiële contractspartijen. Ter toelichting op deze klacht heeft TOP benadrukt dat, als het concurrentiebeding inderdaad inhoudt dat TOP geen contact mocht hebben met andere aanbieders (zoals in dit geval: ICS), alle partijen er belang bij hebben dat een wisseling van hoofdaannemer vloeiend verloopt. Indien de overeenkomst tussen principaal en hoofdaannemer ten einde loopt (en temeer ingeval het eindigen van die overeenkomst is toe te rekenen aan – oud-werknemers van – deze hoofdaannemer), is het volgens TOP naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat aan de onderaannemer verboden wordt om in de gegeven omstandigheden continuïteit voor zijn bedrijf te zoeken op een wijze die gebruikelijk is in de branche.
Onder IIklaagt TOP dat het hof haar stellingen te beperkt heeft opgevat in rov. 3.16 onder (v). In alinea 57 van de memorie van antwoord had TOP ook gesteld dat in januari 2014 al vaststond dat Kodak het contract met Getronics ging opzeggen. Volgens TOP heeft het hof om die reden in rov. 3.17 niet kunnen overwegen dat deze stelling van TOP reeds strandt op de chronologie van de gebeurtenissen.
Onderdeel 2.6.1houdt in dat het hof met de hier bedoelde vaststelling buiten het partijdebat is getreden, de feiten heeft aangevuld en/of een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. De toelichting op deze klacht houdt in dat TOP’s advocaat tijdens het pleidooi in hoger beroep op 28 juni 2016 heeft ontkend dat TOP een troef van ICS zou zijn, dat een ‘troef’ betekent dat die partij iets heeft waarover andere deelnemers aan het (kaart)spel niet de beschikking hebben en dat ICS niet uitsluitend over TOP als onderaannemer kon beschikken. TOP heeft een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het middel nadat het hof haar een proces-verbaal met een inhoudelijke weergave van het besprokene tijdens de pleitzitting heeft verstrekt.
Onderdeel 2.6.2vervolgt met de klacht dat het hof ten onrechte heeft geweigerd een ‘inhoudelijk’ proces-verbaal van de pleitzitting te verstrekken. Het hof heeft slechts een afschrift verstrekt van een proces-verbaal waarin is vermeld dat de advocaten van partijen overeenkomstig hun pleitnota’s hebben gepleit en gerepliceerd en gedupliceerd en dat partijen vragen van het hof hebben beantwoord. Ondanks herhaalde en gemotiveerde schriftelijke verzoeken van TOP heeft het hof geweigerd een uitgebreid proces-verbaal te verstrekken. Volgens TOP is het hof op grond van artikel 91 Rv Pro verplicht tot het verstrekken van een dergelijk proces-verbaal en volgt dit ook uit HR 20 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3336) [44] . De laatstgenoemde beslissing betrof weliswaar een verzoekschriftprocedure, maar ook in een dagvaardingsprocedure heeft volgens de klacht te gelden dat de gronden van het beroep in cassatie dadelijk moeten worden aangevoerd en dat, met het oog daarop, een proces-verbaal met inhoudelijke weergave een essentieel onderdeel van het procesdossier is. Het proces-verbaal dient de standpunten van partijen adequaat weer te geven. In
onderdeel 2.6.3voegt TOP hieraan toe dat in het kader van artikel 6 EVRM Pro en artikel 19 Rv Pro procespartijen in de gelegenheid behoren te worden gesteld zich over de inhoud van het proces-verbaal uit te laten alvorens op grond daarvan een uitspraak wordt gedaan.
Tijdens deze bespreking heeft ICS aangegeven in gesprek te zijn met Kodak over een eventuele samenwerking, waarbij werd vermeld dat het de uitdrukkelijke wens was van Kodak, dat ICS TOP bij de gesprekken over een eventuele samenwerking zou betrekken.” In dat licht is deze vaststelling niet onbegrijpelijk en is ook geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling door het hof van de gestelde feiten. Het bestreden arrest biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling, in dit middelonderdeel [45] , dat het hof ervan uitgaat dat TOP de bedoelde stelling tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft betrokken. De klachten over het niet verstrekken van een ‘inhoudelijk’ proces-verbaal falen daarom bij gebrek aan belang.