Conclusie
eerste middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om een deskundigenonderzoek te gelasten naar het bestaan van cognitieve stoornissen bij verdachte.
tweede middelklaagt dat het hof op ontoereikende gronden heeft aangenomen dat er sprake was van culpa. De toelichting op dit middel verwijst naar de inhoud van de pleitnotities. De schriftuur somt nogmaals de argumenten op die de verdediging in hoger beroep heeft aangedragen ter ontkenning van de culpa.
derde middelkeert zich tegen het bewijs van het medeplegen. De veronderstelde mededaders hebben aan verdachte geen openheid van zaken gegeven, verdachte wist niet dat het geld van de bankrekening te Liechtenstein zou worden afgehaald en in Duitsland aan iemand anders zou worden overhandigd en verdachte had in tegenstelling tot de andere betrokkenen geen enkel financieel belang bij de gang van zaken. De rol van verdachte in het geheel was van ondergeschikt belang. De enkele verwijzing door het hof naar de inhoud van de bewijsmiddelen is onvoldoende om het door de verdediging uitgesproken onderbouwde standpunt te weerleggen.
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat verdachte tezamen in vereniging met anderen te Liechtenstein en in Duitsland het culpoos witwassen zou hebben gepleegd, omdat voor een bijdrage van verdachte aan het witwassen in die landen in de bewijsvoering geen enkele steun is te vinden.
vijfde middelklaagt over het medeplegen. Een veroordeling van verdachte voor medeplegen zou niet te rijmen zijn met de vrijspraak van het onderdeel in de tenlastelegging dat de mededaders van verdachte wisten of redelijkerwijs moest vermoeden dat de tenlastegelegde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.