In het verkort arrest heeft het hof het volgende overwogen, naar aanleiding van wat de verdediging had opgeworpen:
“De raadsvrouw heeft – kort samengevat – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat het vereiste van dubbel opzet ontbreekt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de handelingen van verdachte rondom het vervoer van de ontvreemde containers niet zouden afwijken van hetgeen gebruikelijk is in de alledaagse praktijk van het containervervoer.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren wisselende verklaringen afgelegd over de manier waarop hij aan de opdracht en de vereiste gegevens om de containers te kunnen vervoeren is gekomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat de gegevens afkomstig zijn van een drietal prints van e-mails die hij heeft ontvangen van zijn medeverdachte [betrokkene 4] .
Nadat hij geconfronteerd werd met de informatie dat twee van de mails betrekking hadden op dezelfde container en dat de derde mail een foutief containernummer bevatte, heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de gegevens van de derde container telefonisch heeft verkregen van.de opdrachtgever, de onbekend gebleven persoon “ [betrokkene 6] ”.
Verder heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij werd geconfronteerd met het gegeven dat de op te halen containers niet of niet meer vrijgegeven waren voor verder vervoer, contact heeft gezocht met die opdrachtgever. Ook [betrokkene 2] , de tweede vervoerder en in loondienst bij de verdachte, heeft verklaard dat de verdachte steeds aan het sms-en was. Echter, uit de analyse van de verkeersgegevens van beide telefoonaansluitingen waarover verdachte beschikte is niet gebleken van enig contact met andere personen dan medeverdachte [betrokkene 4] en een man genaamd [betrokkene 8] . Beiden zijn volgens verdachte uitdrukkelijk niet de genoemde “ [betrokkene 6] ”. De ter terechtzitting in hoger beroep gestelde vraag of de verdachte nog beschikte over een andere, in het onderzoek onbekend gebleven, telefoon, heeft de verdachte ontkennend beantwoord.
Verder valt op dat de gedragingen van verdachte in strijd zijn met de instructies uit de e-mails waarop verdachte zich beroept. Uit de mails blijkt dat de lege chassis opgehaald moesten worden op het bedrijventerrein van de afzender en dat ook de met de containers beladen chassis daar afgeleverd moesten worden. Verdachte heeft de chassis op de openbare weg op een bedrijventerrein in Spijkenisse opgepikt en hij heeft de beladen chassis met volle containers onbeheerd achtergelaten op het parkeerterrein van een truckersrestaurant zonder enige vorm van beveiliging, omtrent welke beveiliging ook weer specifiek zou zijn verzocht door de opdrachtgever. Dat dit niet per ongeluk door de verdachte is nagelaten, maar welbewust, leidt het hof af uit de verklaring van [betrokkene 2] , dat hij nog aan de verdachte had gevraagd of er geen Kingpinslot op moest, en dat de verdachte had gezegd dat dat niet hoefde, welke verklaring direct wordt ondersteund door een getapt telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 2] . Terwijl voorts de e-mails inhielden dat de betaling binnen 6 weken per bank zou plaatsvinden heeft verdachte verklaard dat hij het geld dezelfde dag contant overhandigd heeft gekregen van een onbekende persoon, die hij bij weerzien niet zou herkennen, in café “[L]” . De verdachte heeft nimmer kunnen duiden wie opdrachtgever “ [betrokkene 6] ” of “ [betrokkene 6] ” zou zijn geweest of verifieerbare contactgegevens van deze persoon kunnen overleggen.
Hetzelfde geldt voor degene die de betaling voor het door verdachte verrichte vervoer heeft verricht.
Het hof verwerpt op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden de stelling van de raadsman dat de handelingen van verdachte rondom het vervoer van de ontvreemde containers niet zouden afwijken van hetgeen gebruikelijk is in de alledaagse praktijk van het containervervoer. Het hof wijst hiervoor in het bijzonder op de onbeholpen wijze van verslaglegging van het vervoer, de omstandigheden rond het vervoer zelf, de wijze van betaling daarvan, en het welbewust laten ontbreken van iedere beveiliging van de achtergelaten containers.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof voorts af dat verdachte over ruim voldoende signalen beschikte dat het transport dat hij verrichtte niet legitiem werd verricht. Het hof is op deze grond van oordeel dat de verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij behulpzaam was bij de latere diefstal van de desbetreffende door hem vervoerde containers met inhoud door derden.
Het hof verwerpt derhalve het verweer.”