Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
5 januari 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor medeplichtigheid aan oplichting en witwassen. Het Hof stelde vast dat verdachte haar bankrekening ter beschikking stelde voor het ontvangen van frauduleus verkregen PGB-gelden van €45.362,18. De oplichting betrof valse PGB-overeenkomsten en vervalste handtekeningen van een overleden persoon.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het door de dader(s) gepleegde misdrijf, noch dat zij wist dat de geldbedragen afkomstig waren uit een misdrijf. De bewijsmiddelen lieten dit niet zonder meer volgen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het hoger beroep. De zaak bevat uitgebreide bewijsstukken zoals aangiften, verklaringen van betrokkenen, bankafschriften en verhoren van verdachte.
De Hoge Raad benadrukte de strikte eisen aan bewijs voor opzet en kennis bij medeplichtigheid en witwassen. Het ontbreken daarvan leidt tot vernietiging van het vonnis. De zaak zal opnieuw inhoudelijk moeten worden beoordeeld door het Hof.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijs opzet en kennis, verwijst zaak terug voor hernieuwde berechting.