Conclusie
(eerste)middel, dat bij de oorspronkelijke schriftuur is voorgesteld en nadien niet is ingetrokken, faalt -gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt- bij gebrek aan feitelijke grondslag.
tweedemiddel klaagt dat het hof het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd inclusief de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de straf, terwijl de aanvulling op het vonnis waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen niet de inhoud van die bewijsmiddelen behelst en/of uit die bewijsmiddelen niet is af te leiden welke de voor de bewezenverklaring relevante redengevende feiten en omstandigheden zijn. Daarmee zou niet zijn voldaan aan het ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift van art. 359, derde lid, Sv dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
ten aanzien van feit 2A” de gebezigde bewijsmiddelen onderverdeeld onder de tussenkopjes “
(algemeen)”, “
(zeggenschap [A] Ltd/[verdachte])”, “
(zeggenschap [B] Ltd ([betrokkene 1])”, “
activiteiten/bezittingen [A] Ltd)” en “
(activiteiten/bezittingen [B] Limited)”.
NJ2012/610. De voorzitter had aan de verdachte medegedeeld dat het hof in het kader van het voortbouwend appel niet alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten apart met hem ging bespreken, nu dit reeds in eerste aanleg was gebeurd. Dat strookte naar het oordeel van Uw Raad met de in art. 415, tweede lid, Sv tot uitdrukking gebrachte bedoeling van de wetgever het onderzoek op de terechtzitting te concentreren op de bezwaren die tegen het vonnis worden ingebracht.
Kamerstukken II2015/16, 29 279, nr. 278, p. 88) stelt voor het nieuwe wetboek een stelsel voor waarin ‘de appelrechter zich in zijn uitspraak meer kan concentreren op de ingediende bezwaren’. Maar dat is toekomstmuziek.
NJ2016/430 m.nt. Van Kempen ziet de Hoge Raad klachten die ‘betrekking hebben op bij de behandeling in eerste aanleg begane vormverzuimen waarop bij de behandeling van het appel geen beroep is gedaan’ als klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Er zijn verschillende arresten gewezen waarin de procesopstelling in hoger beroep er toe heeft geleid dat de verdachte onvoldoende belang had bij zijn cassatieberoep. [4]