Conclusie
loodsgelegen aan de [a-straat 1] te Steenwijk heeft vernield en/of beschadigd en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van die elektriciteitsmeter en/of voor de stroomvoorziening heeft/hebben veroorzaakt en/of een ten opzichte van die meterkast en/of aansluitkast voor de stroomvoorziening, genomen veiligheidsmaatregel(en) heeft/hebben verijdeld, immers
hebbenhij, verdachte, en zijn medeverdachte in een elektriciteitswerk en/of elektriciteitsmeter en/of aansluitkast, welke onderdeel uitmaakt van voornoemde
loods, te weten aan de [a-straat 1] te Steenwijk:
PEUGEOT 807
SPEEDBOOT
BUITENBOORDMOTOR
TRAILER
eerste middelbehelst met betrekking tot feit 4 de klacht dat de overweging van het hof, dat de door het hof vastgestelde gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van boot en trailer wist dat het om een gestolen boot en trailer ging, niet toereikend is gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 tekortschiet en niet voldoet aan de motiveringseisen die de Hoge Raad aan de kwalificatie medeplegen stelt, nu het hof niets heeft vastgesteld omtrent de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, de rol van de verdachte in bijvoorbeeld de planvorming (de intellectuele bijdrage) et cetera.
NJ2016/413 dat het hof medeplegen kon aannemen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zodanig bij de hennepkwekerij betrokken was dat zijn rol verder ging dan die van medeplichtige. De getuige [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij de loods waarin de hennepkwekerij is aangetroffen aan twee jongens verhuurde. Ook volgens zijn eigen verklaring, is een van die jongens de verdachte. Voorts bleek de verdachte te beschikken over een eigen sleutel die toegang gaf tot de hennepplantage. Daar is de verdachte regelmatig gezien en ook aangehouden. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte van meet af aan bij de hennepkwekerij betrokken is geweest omdat hij voor de kweek benodigde spullen heeft vervoerd. Dit alles bijeen genomen, maakt dat ten aanzien van de verdachte van medeplegen gesproken kan worden; zijn materiele bijdrage aan het delict is daarvoor van voldoende gewicht. Dat betekent dat het oordeel van het hof dat uit het voorgaande geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] bij het telen van hennep, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof in de bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat hetgeen de verdachte ten verwere heeft aangevoerd over de sleutel ongeloofwaardig is en dat de verdachte voor het overige niets heeft aangevoerd dat de redengevendheid van die conclusie zou kunnen aantasten.
derde middelricht de pijlen op ’s hofs bewezenverklaring van de feiten 6 en 7.
vierde middelklaagt over hetgeen onder 13 is bewezenverklaard.
vijfde middelis een voorwaardelijk voorgesteld middel en heeft betrekking op de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 2.000,00 aan de benadeelde partij [betrokkene 1] . In de toelichting op het middel valt te dien aanzien te lezen:
zesde middelklaagt dat het hof de aan de benadeelde partij toegewezen civiele vordering van € 3.118,16 heeft vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, nu de stukken van het geding niet inhouden dat de benadeelde partij (ook) deze wettelijke rente heeft gevorderd.