Conclusie
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.574,52, en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot hetzelfde bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant had bij mondeling vonnis van 5 juli 2017 tevens het feit onder 2. primair bewezenverklaard en gekwalificeerd als “
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking”, en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelklaagt “
voor de verandering eens” over de onjuiste toepassing van art. 423 Sv Pro.
“Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met verbeterde lezing van de bewezenverklaring en behalve voor wat betreft de kwalificatie en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Bewezenverklaring
Door de politierechter is onder feit 1 bewezenverklaard dat verdachte:
”, “561 hennepplanten
” is gelezen. Uit zowel de motivering van de politierechter alsmede het strafdossier kan worden opgemaakt dat sprake is van een kennelijke vergissing bij het “uitstrepen” door de politierechter en/of de griffier.
De kwalificatie
Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij Enduris B.V. heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.314,52. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering onverkort gehandhaafd.
BESLISSING
Het hof:
met inachtneming van het hiervoor overwogene” – op geen enkele wijze formeel heeft vernietigd. Verder zouden ook doublures ontstaan naar aanleiding van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 2, nu zowel door de politierechter als door het hof de maatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr is opgelegd.
beslissingenvan de eerste rechter op de vraagpunten van de artikelen 348 en 350 Sv, die de rechter overeenkomstig artikel 358 Sv Pro in zijn vonnis kenbaar moet maken. Met ieder van die beslissingen van de eerste rechter kan de beroepsrechter zich hetzij uitdrukkelijk verenigen, hetzij uitdrukkelijk
nietverenigen. In het eerste geval bevestigt de beroepsrechter
in zoverrehet vonnis. In het tweede geval moet het vonnis door de beroepsrechter
in zoverreexpliciet worden vernietigd. Daarmee brengt de beroepsrechter tot uitdrukking dat in dezelfde zaak over hetzelfde vraagpunt niet twee verschillende beslissingen van twee verschillende rechters naast elkaar (kunnen) bestaan. Het overnemen van enkele (maar niet alle) van die beslissingen, heet het
gedeeltelijkbevestigen van het vonnis, en dat
moetin deze systematiek gepaard gaan met het
gedeeltelijkvernietigen van het vonnis, namelijk ten aanzien van de uitdrukkelijk niet-overgenomen beslissingen. Het klassieke uitgangspunt dat het bevestigen van beslissingen die in de systematiek van de artikelen 348 en 350 Sv voortbouwen op vernietigde beslissingen niet mogelijk is, is inmiddels gerelativeerd. [3]
motiveringvan de beslissingen van de eerste rechter op de vraagpunten van de artikelen 348 en 350 Sv. De eerste rechter is op de voet van de artikelen 359, 359a lid 3 en 360 Sv gehouden de gronden voor zijn beslissingen in het vonnis op te nemen. Bij bevestiging van het vonnis kan de beroepsrechter (passages uit) die motivering overnemen, aanvullen of verbeteren. Ook bij vernietiging is het de beroepsrechter toegestaan om overeenkomstig artikel 423 lid 3 Sv Pro passages uit het vonnis over te nemen.
aanwezig hebbenvan een bij de Opiumwet behorende lijst II verboden middel, als bedoeld in artikel 3 onder Pro C van die wet. Ik meen dat hetgeen vooropgesteld is ten aanzien van kennelijke verschrijvingen in het vonnis van de eerste rechter eveneens toepassing vindt als het gaat om het verbeteren of verbeterd lezen van de kwalificatie door de beroepsrechter, zoals hier mijns inziens aan de orde is. [7] Daardoor faalt de klacht dat het hof heeft verzuimd de kwalificatiebeslissing van de politierechter ten aanzien van feit 1. primair te vernietigen en dat in deze zaak op dat punt twee kwalificatiebeslissingen naast elkaar bestaan. Er bestaan immers geen twee kwalificatiebeslissingen ten aanzien van feit 1. primair. Het hof heeft de (evident onjuiste) kwalificatiebeslissing van de politierechter slechts verbeterd gelezen.
partieelheeft willen bevestigen voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Die beslissingen heeft het hof kennelijk in de plaats willen stellen van de beslissingen die de politierechter in dat verband heeft genomen. [12] Ook hier zie ik geen aanleiding voor cassatie.
tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het ‘medeplegen’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
onmisbare rol heeft gespeeld”, de verdachte vanaf het begin een “
essentiële rol” heeft vervuld en dat zijn rol “
die van de medeplichtige [overstijgt]”, een onjuiste maatstaf hebben gehanteerd voor het medeplegen. De motivering van de bewezenverklaring met betrekking tot het medeplegen zou volgens de verdachte tekortschieten, nu daaruit niet méér zou kunnen blijken dan dat hij voor een ander de loods voor de hennepteelt heeft gehuurd, dienaangaande de betalingen heeft verricht en (een deel van) de opbrengst heeft gekregen, hetgeen nu juist zou wijzen op een rol als medeplichtige.
NJ2015/390, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411 enige algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm ‘medeplegen’. Deze hebben in het bijzonder betrekking op de afbakening tussen ‘medeplegen’ en ‘medeplichtigheid’, met name in gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering van het delict. [13] Het verwijt bij medeplegen concentreert zich op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict, terwijl het kernverwijt bij medeplichtigheid het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf is. [14]
de (deels) bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2017” heeft aangemerkt, is echter niet nader uitgewerkt. Al met al meen ik dat voor zover het de bewezenverklaring van feit 1 betreft, het medeplegen van het aanwezig hebben van de hennep, de bewijsmotivering niet de conclusie kan dragen dat de rol van de verdachte die van medeplichtige overstijgt. De inhoud van de bewijsmiddelen kan dat gebrek niet zonder meer opvangen. [18] In zoverre klaagt het middel dus terecht dat het arrest onvoldoende met redenen omkleed is.
derde middelklaagt dat het hof is strijd met art 359 lid 3 Sv Pro heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, terwijl de verklaring van de verdachte niet als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis kan worden aangemerkt en bovendien namens hem vrijspraak is bepleit.
(deels) bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2017”.