ECLI:NL:PHR:2017:1413

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
10 januari 2018
Zaaknummer
16/06175
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 588a SvArt. 80a ROArt. 3 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken machtiging raadsman

De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens opzettelijk medeplegen van een strafbaar feit en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het gerechtshof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de verdachte niet was verschenen en zijn raadsman niet op de juiste wijze gemachtigd was.

De raadsman stelde dat de dagvaarding niet correct was betekend, omdat een postadres van de verdachte niet was opgenomen in het proces-verbaal, en verzocht om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om de verdachte alsnog aanwezig te laten zijn. Het hof verwierp dit verzoek, stellende dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en dat de raadsman niet gemachtigd was de verdediging te voeren.

De Hoge Raad bevestigt dat een niet-gemachtigde raadsman slechts beperkt rechten heeft, waaronder het verzoeken om aanhouding van de behandeling ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het hof heeft het verzoek van de raadsman terecht opgevat als een verzoek tot schorsing van het onderzoek op grond van art. 588a Sv, en heeft dit verzoek afgewezen omdat niet was aangetoond dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte werd geschaad.

Het middel van cassatie faalt en het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad benadrukt dat het hof niet verplicht was om op andere gronden in te gaan dan die door de raadsman waren aangevoerd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van de raadsman.

Conclusie

Nr. 16/06175
Zitting: 5 december 2017 (bij vervroeging)
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 april 2016 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 mei 2015, waarbij de verdachte wegens 1. “opzettelijk medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de politierechter beslist omtrent het beslag en de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, een en ander zoals in het vonnis weergegeven.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
Het
middel
3.1. Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op het aanhoudingsverzoek van de (niet op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde) raadsman.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2016 houdt - voor zover van belang - het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
(…)
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht.
De voorzitter constateert dat de dagvaarding voor deze terechtzitting conform de wettelijke vereisten op juiste wijze aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant is betekend.
De raadsman merkt op:
De vraag is of de dagvaarding op de juiste wijze is betekend. Uit het vonnis, pagina 3, bovenaan, blijkt dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij heeft aangegeven dat hij goed bereikbaar is op zijn postadres. Dit postadres is evenwel niet opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.
De voorzitter merkt op:
Zo’n adres kan ingehaald worden door een eventuele wijziging in de BRP. Dat was later dan de zitting.
De raadsman reageert:
Ik verwijs naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2666). Uit deze uitspraak leid ik af dat er een afschrift naar het postadres van verdachte verstuurd had moeten worden. Het postadres van verdachte is [adres]. In het proces-verbaal van de zitting is het (toenmalige) BRP-adres van verdachte opgenomen. Dit BRP-adres was ooit zijn woonadres. Omdat ik bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig ben geweest, weet ik dat hij toen zijn postadres heeft genoemd. Dit is alleen niet opgenomen in het proces-verbaal van de zitting.
De advocaat-generaal merkt op:
Het door de raadsman genoemde postadres van verdachte is ook niet opgenomen in de akte instellen hoger beroep.
De raadsman reageert:
Het gaat er nu juist om dat verdachte in eerste aanleg een adres als postadres heeft opgegeven.
De voorzitter merkt op:
Wij zijn niet bij die zitting aanwezig geweest en weten dus ook niet of verdachte dat toen verklaard heeft. Het staat in elk geval niet in het proces-verbaal van de zitting.
De raadsman reageert:
Gegeven de omstandigheid dat er wordt gerept over een postadres stel ik mij op het standpunt dat een afschrift van de dagvaarding naar het postadres verstuurd had moeten worden. Ik verzoek het hof het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Op de vraag van de jongste raadsheer of niet het BRP-adres wordt bedoeld, antwoordt de raadsman dat dit niet het geval is. De raadsman verklaart dat verdachte heeft gezegd daarvoor geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Omdat de kwekerij was gevonden, was hij al uit huis gezet.
De raadsman merkt tevens op:
U weet ook dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat in eerste aanleg mijn pleitnota is zoekgeraakt. Er is dus een indicatie dat er iets is misgegaan.
De advocaat-generaal deelt mede:
De dagvaarding in hoger beroep is op een juiste wijze uitgereikt. Wat mij betreft kunnen we doorgaan met de zitting.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het verweer van de raadsman dat de dagvaarding niet op juiste wijze is betekend, wordt verworpen. In het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, dat volgens de Hoge Raad leidend is, staat dat verdachte bereikbaar is op zijn postadres. Dit kan twee dingen betekenen: ofwel het BRP-adres, ofwel een ander adres. Een ander adres dan het toen nog geldende BRP-adres is blijkens het proces-verbaal echter niet genoemd. Onder die omstandigheid verwerpt het hof het verweer van de raadsman. De dagvaarding in hoger beroep is op een juiste wijze betekend.
De raadsman van verdachte verklaart vervolgens niet uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.”
3.3. Blijkens voormeld proces-verbaal is de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld, waarna de voorzitter het onderzoek heeft gesloten en heeft mede gedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 8 april 2016.
3.4. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een raadsman die niet op de voet van art. 279 Sv Pro is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, geen van de bij de wet aan de raadsman toegekende rechten en bevoegdheden uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte. [1]
3.5. Het hof heeft hetgeen de raadsman binnen dat zojuist kader kon en mocht aanvoeren kennelijk opgevat als een verzoek tot toepassing van het aan het niet-naleven van art. 588a Sv verbonden rechtsgevolg. Blijkens het door de raadsman zelf ter terechtzitting van het hof aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 september 2014 is dat rechtsgevolg het schorsen van het onderzoek ter terechtzitting teneinde “de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn”. Dat het hof hetgeen de raadsman heeft aangevoerd aldus heeft opgevat is geenszins onbegrijpelijk, waarbij ik mede let op de door de raadsman zelf aangehaalde juridische grondslag voor het schorsingsverzoek. [2] Het betoog in het middel, dat het hof in hetgeen was aangevoerd mede de “reden van dat verzoek moest worden gevonden: de dagvaarding had requirant kennelijk niet bereikt, zodat niet kon worden aangenomen dat hij vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht” lijkt mij een overstrekking van hetgeen mag worden verwacht van de rechter ten overstaan van wie een dergelijk ‘verweer’ wordt gevoerd. Het lijkt mij integendeel eerder zo te zijn dat, aangezien op de terechtzitting van het hof op geen enkele manier door de raadsman is aangegeven waarom – op andere wijze dan verband houdend met de betekeningsregeling – het aanwezigheidsrecht van de verdachte in het gedrang was, het hof daarop niet nogmaals en dan op andere – niet aangevoerde - gronden behoefde in te gaan.
3.6. Het middel faalt evident en leent zich voor toepassing van art. 80a RO.
3.7. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. o.a. HR 23 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8860, mnt. Schalken, rov. 3.2 en HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, rov. 4.8.
2.En daargelaten de minder juiste verwoording door het hof van het door de raadsman aangevoerde.