Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens opzettelijk medeplegen van een strafbaar feit en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het gerechtshof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de verdachte niet was verschenen en zijn raadsman niet op de juiste wijze gemachtigd was.
De raadsman stelde dat de dagvaarding niet correct was betekend, omdat een postadres van de verdachte niet was opgenomen in het proces-verbaal, en verzocht om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om de verdachte alsnog aanwezig te laten zijn. Het hof verwierp dit verzoek, stellende dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en dat de raadsman niet gemachtigd was de verdediging te voeren.
De Hoge Raad bevestigt dat een niet-gemachtigde raadsman slechts beperkt rechten heeft, waaronder het verzoeken om aanhouding van de behandeling ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het hof heeft het verzoek van de raadsman terecht opgevat als een verzoek tot schorsing van het onderzoek op grond van art. 588a Sv, en heeft dit verzoek afgewezen omdat niet was aangetoond dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte werd geschaad.
Het middel van cassatie faalt en het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad benadrukt dat het hof niet verplicht was om op andere gronden in te gaan dan die door de raadsman waren aangevoerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van de raadsman.