Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
9 september 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem, Militaire Kamer. De kern van het geschil betrof de vraag of het Hof terecht verstek had verleend aan verdachte die niet was verschenen bij het hoger beroep.
Verdachte had bij de eerste aanleg een postadres opgegeven dat als adres in de zin van art. 588a Sv kon worden aangemerkt. Hoewel uit de GBA bleek dat verdachte later op een ander adres was ingeschreven en daarna geen vaste woon- of verblijfplaats had, kon het Hof niet zonder meer aannemen dat verdachte het opgegeven postadres niet meer wilde handhaven.
Uit de stukken bleek dat geen afschrift van de appeldagvaarding aan het opgegeven postadres was toegezonden, noch dat verzending ingevolge art. 588a lid 3 Sv achterwege kon blijven. Het Hof had daarom moeten onderzoeken of het onderzoek ter terechtzitting geschorst moest worden om verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn. Dit onderzoek ontbrak, waardoor het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak nietig zijn.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, Militaire Kamer, voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.