In deze militaire strafzaak stond verdachte terecht voor witwassen en het maken van een gewoonte van witwassen, waarbij onder meer een contant geldbedrag van €124.500,- in zijn kluis was aangetroffen. Verdachte voerde aan dat een deel van dit geld afkomstig was uit casinowinsten en een erfenis. De militaire kamer van het hof bevestigde echter het oordeel van de rechtbank dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was, omdat de verklaringen van verdachte over de herkomst van het geld tegenstrijdig en ongeloofwaardig waren.
Het hof oordeelde dat het niet aannemelijk was dat verdachte herhaaldelijk substantiële contante speelwinsten had behaald, mede omdat verdachte geen bewijsstukken overlegde waaruit uitbetalingen van speelwinsten door Holland Casino bleken. Ook de wisselende verklaringen over de besteding van de vermeende speelwinsten versterkten het vermoeden van witwassen. Daarnaast was vastgesteld dat verdachte tussen september en oktober 2011 meerdere contante betalingen deed in Suriname, die hij vanuit Nederland had meegenomen ten behoeve van de bouw van een perceel, wat het hof als gewoontewitwassen kwalificeerde.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen die stelden dat het hof onjuiste motieven hanteerde en onvoldoende redenen gaf voor de bewezenverklaring. De Hoge Raad bevestigde dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd was en dat het aan verdachte was om een aannemelijke verklaring te geven, wat niet was gelukt. De bewezenverklaring werd waar nodig verduidelijkt, maar de aard en ernst van het bewezen verklaarde bleven onverminderd. Het cassatieberoep werd verworpen.